Zes Dagen Oorlog: de strijd

Een gesneuvelde Egyptische soldaat ligt naast zijn brandende vrachtwagen in de Sinaï. Foto: David Rubinger
Een gesneuvelde Egyptische soldaat ligt naast zijn brandende vrachtwagen in de Sinaï. Foto: David Rubinger

De Zesdaagse Oorlog, precies vijftig jaar geleden, was een Israëlische overwinning van mythische proporties die de verhoudingen in het Midden-Oosten tot op de dag van vandaag bepaalt. De tweede van drie afleveringen: de strijd.

De Israëlische piloten die in de vroege ochtend van 5 juni 1967 in hun Franse Mirage-jets opstegen voor hun aanval op Egypte wisten precies wat zij deden. Tijdens de jarenlange planning voor Operatie Moked (‘focus’) was niets aan het toeval overgelaten. Dat was niet voor niets, de Egyptische luchtmacht – doelwit van Moked – was meer dan twee keer zo groot als de Israëlische: 450 tegen 200 gevechtsvliegtuigen. Met zulke verhoudingen kon de kleinste fout, de minste hapering aan de kant van de Israëli’s fatale gevolgen hebben.
De eerste golf had als doel het vernietigen van militaire vliegvelden opdat de Egyptische luchtmacht vleugellam zou raken. Daarvoor gebruikten de Israëli’s voor het eerst speciaal (samen met de Fransen) ontwikkelde bommen, die nauwelijks te repareren kraters achterlieten op de startbanen die zij raakten. Hoog in de lucht boven de Sinaï vlogen Israëlische Vautour-straaljagers die de radarsystemen van de Egyptenaren stoorden. In perfect contrast hiermee vlogen de jachtbommenwerpers zelf juist zo laag mogelijk om onder de radar te blijven. Daarvoor waren aanvliegroutes over de Middellandse en Rode Zee gekozen. De Mirages scheerden slechts enkele tientallen meters over het water, onzichtbaar voor de door de Sovjetunie aan Egypte geleverde radar en SA-2 luchtdoelraketten.

Vernietigend
De eerste klap was overweldigend. De eerste golf vernielde twaalf Egyptische vliegvelden en vernietigde honderden toestellen op de grond. De Egyptenaren hadden geen speciale bunkers – hun vliegtuigen stonden keurig in rijen opgesteld naast de start- en landingsbanen. De IAF-piloten keerden terug en werden razendsnel – in 7.30 minuten! – herbewapend en van brandstof voorzien. De tweede golf was al even vernietigend als de eerste. Een derde was nauwelijks nodig, de Egyptische luchtmacht had de facto opgehouden te bestaan. Operatie Moked overtrof alle verwachtingen en de verliezen waren aanvaardbaar, slechts 19 Israëlische toestellen waren verloren gegaan. Generaal Ezer Weizman belde vanuit zijn commandobunker naar zijn vrouw Reuma: “We hebben gewonnen.” “Ben je gek  geworden?” antwoordde zij, “het is 10 uur ’s ochtends en jij hebt de oorlog beëindigd?”

‘ Ben je gek geworden? Het is 10 uur ’s ochtends en jij hebt de oorlog beëindigd?’

Reuma Weizman had gelijk, zover was het nog niet. Terwijl de IAF zich nu op de Jordaanse en Syrische (en zelfs de Iraakse) luchtmacht richtte om het succes van Operatie Moked te herhalen, was de strijd op de grond nog maar net begonnen. Het Israëlische aanvalsplan was simpel, maar alles behalve eenvoudig uit te voeren. De bedoeling was de hoofdmacht van het 100.000 man sterke Egyptische leger in de Sinaï te omsingelen en te isoleren door na een omtrekkende beweging de in het achterland liggende passen in te nemen en af te sluiten. Daarna zou de IAF – inmiddels met de handen vrij – vanuit de lucht de duizend Egyptische tanks vernietigen. Maar daarvoor moesten de Israëli’s wel enkele lastige obstakels nemen.
In het noorden van de Sinaï viel de divisie van generaal Israel Tal Khan Younis, Rafa en Arish, het administratieve centrum van de Sinaï, aan. Ondanks soms hevig verzet van de goed ingegraven Egyptenaren, vielen de drie steden al op 6 juni in handen van de IDF. Op 7 juni lag de weg naar het Suezkanaal open voor de Israëlische tankkolonnes. Generaal-majoor Ariel ‘Arik’ Sharon, de held van ’56, had op papier een zwaardere kluif: het netwerk van fortificaties van Abu Agheila, zo’n 50 kilometer ten zuiden van Rafa. Sharon had besloten tot een nachtelijke aanval om verwarring te zaaien onder de Egyptenaren en zo hun numerieke superioriteit ongedaan te maken. Dit betekende wel dat zijn troepen niet konden rekenen op steun uit de lucht, maar veel Israëlische soldaten waren daar niet rouwig om – velen maakten zich meer zorgen over friendly fire van de IAF dan om het verzet van het Egyptische leger. Op 5 juni liepen Sharons infanteristen door het rulle woestijnzand om een omtrekkende beweging te maken en de Egyptische overmacht in de flank aan te vallen. Tegelijkertijd landden commandotroepen met helikopters achter de Egyptische linies en vielen deze in de rug aan.

Bemanningen beklimmen hun Centurion-tanks aan het begin van het Israëlische offensief

Vlucht
De operatie verliep als in een droom, aan het einde van de dag op 6 juni, viel Abu Agheila. Tegelijkertijd was een derde speerpunt onder brigade-generaal Avraham Yoffe door het tussen de divisies van Tal en Sharon gelegen gebied geglipt, het terrein was er zo onbegaanbaar dat de Egyptenaren het vrijwel onverdedigd hadden gelaten. Na een dertien uur durend gevecht met de verraste Egyptische troepen nam Yoffe de vesting op Jebel Libni in. Toen Sharons, Tals en Yoffes tanks de Mitla- en Gidi-pas dreigden te bereiken, raakte de Egyptische legerleiding in paniek. President Gamal Abdel Nasser en legerleider Abdel Hakim Amer besloten al hun troepen zo snel mogelijk uit de Sinaï terug te trekken. Wat een ordelijke aftocht had moeten worden, ontaardde in een chaotische vlucht. De eindeloze colonnes Egyptische tanks en vrachtwagens – gemakkelijke doelen vanuit de lucht – werden onophoudelijk bestookt door Israëlische bommenwerpers, ook met napalm. De soldaten lieten hun wapens en voertuigen achter, velen liepen meer dan 100 kilometer door de woestijn naar het Suezkanaal. Tienduizenden gaven er de voorkeur aan zich over te geven, maar de Israëli’s hadden niet gerekend op zoveel gevangenen, dus zagen zij zich gedwongen alleen de officieren vast te houden en de rest te voet naar het westen te sturen. Tallozen kwamen om van honger en dorst.
In 48 uur hadden 70.000 Israëli’s met 700 tanks 100.000 Egyptenaren (met 1000 tanks) verslagen. De overwinning was totaal, vergelijkbaar met het succes van de Duitsers tegen het reusachtige Sovjetleger aan het begin van Operatie Barbarossa in 1941. Opvallend genoeg was de Israëlische tactiek (een verrassingsaanval vanuit de lucht, omtrekkende bewegingen tegen statische verdedigingswerken, offensieve concentratie van tankeenheden) dat ook. De Israëli’s rukten op naar het kanaal, Gaza was al op 6 juni ingenomen, en een dag later veroverden de Israëli’s het in alle haast door de Egyptenaren verlaten Sharm el-Sheikh. De blokkade van de Straat van Tiran, door velen gezien als Israëls casus belli was voorbij. Minister van Defensie Moshe Dayan verklaarde om 12.15 uur dat de Straat een internationale waterweg was, vrij voor alle scheepvaart. Een groter contrast met Nassers sluiting van zijn ‘territoriale wateren’, nog geen twee weken eerder, is nauwelijks denkbaar. Het eerste Israëlische vrachtschip, Dolphin voer diezelfde dag nog langs Sharm el-Sheikh naar Eilat.
Eén aspect van de verovering van Sharm el-Sheikh bleek cruciaal voor het verloop van de hele Zesdaagse Oorlog, met name ook op de twee andedere fronten: die met Syrië en – vooral – met Jordanië. Een Egyptische officier in de stad, Mahmud Abd al-Hafiz, sprak na afloop van de strijd zijn absolute verbazing uit over de order zich terug te trekken: “We waren geschokt. De radio draaide overwinningsliederen en berichtte over de vernietiging van de Israëlische luchtmacht en dat onze troepen voor de poorten van Tel Aviv stonden.” Zijn verbijstering was begrijpelijk. De Egyptische legerleiding had al op de ochtend van 5 juni, direct na de vernietiging van haar luchtmacht, besloten de buitenwereld, het Egyptische volk en zelfs de eigen soldaten een rad voor ogen te draaien. Erger nog, ook Nasser werd niet direct op de hoogte gebracht van de enorme omvang van de militaire ramp. Het eerste op feiten gebaseerde bericht van het strijdverloop ontving de president pas om vier uur ’s middags toen een stafofficier hem meedeelde: “U heeft geen luchtmacht meer.” Voor de buitenlandse bondgenoten van de Egyptenaren – de Syriërs en vooral de Jordaniërs – had de Egyptische desinformatie fatale gevolgen.

Ariel Sharon (l) tijdens operaties in de Sinaï

Golan
De Syrische regering en legerleiding (na een serie militaire staatsgrepen overlapten deze twee organen elkaar grotendeels) in Damascus slikten de Egyptische leugens over het strijdverloop voor zoete koek. De Israëli’s lieten hen graag in de waan, de IDF-leiding gaf geen communiqués uit over het strijdverloop. Maar in plaats van een potentieel succesvolle aanval op noordelijk Israël vanaf de Golanhoogte, besloten de Syriërs hun strategische positie niet uit te buiten, maar af te wachten en zich te beperken tot artilleriebeschietingen van kiboetsiem in de laagvlakte. Al in de middag van 5 juni bleek dat de IAF allesbehalve vernietigd was, toen Israëlische bommenwerpers de Syrische luchtmacht op hetzelfde recept trakteerden als de Egyptische enkele uren eerder. Nog steeds durfden de Syriërs niet tot de aanval over te gaan en bleven zij vanuit hun fortificaties op de Golan geschokt toekijken hoe hun Mig-gevechtsvliegtuigen op de grond en in de lucht vernietigd werden. Als een hert gevangen in de koplampen van een naderbij razende vrachtwagen maakten zij zich op voor de nu onvermijdelijke Israëlische grondaanval.
Die kwam, al had minister van Defensie Moshe Dayan tot het laatste moment zijn twijfels, bevreesd als hij was voor de reactie van de Sovjets, Damascus’ machtige bondgenoot. De Israëlische regering besloot echter in haar overwinningsroes dat het tijd was de Syriërs een lesje te leren. De meeste grensschermutselingen van de afgelopen jaren hadden aan de voet van de Golan plaatsgevonden en de inwoners van Galilea zouden geen rust vinden zolang de hoogvlakte niet in handen van de IDF was. Om de indrukwekkende fortificaties op de Golan in te nemen, besloot de commandant van het noordelijke front, David Elazar, tot een riskante operatie: een frontale aanval op de best verdedigde sector van de Syrische verdedigingswerken. Elazar hoopte op een snelle doorbraak: “Dit is belangrijk als je tegen Arabieren vecht,” vertelde hij later, “Psychologisch zijn zij gemakkelijk te breken.” De Syriërs konden niet geloven dat de Israëli’s op dit moeilijkst denkbare front – beschermd door steile hellingen – zouden aanvallen en dachten dat het om een schijnaanval ging. Maar de elitesoldaten van de Golani Brigade vochten zich dwars door de Syrische fortificaties heen. De volgende dag was de strijd alweer voorbij en bereikten Elazars eenheden de in allerijl ontruimde stad Quneitra, aan de oostkant van de Golan. De oorlog tussen Israël en Syrië duurde nog geen anderhalve dag, maar in die tijd verloren de Syriërs de Golan, een derde van hun tanks, de helft van hun artillerie en nagenoeg hun hele luchtmacht.

‘ Dit is belangrijk als je tegen Arabieren vecht. Psychologisch zijn zij gemakkelijk te breken’

Betaalden de Syriërs een stevige prijs voor hun goedgelovigheid, voor Jordanië betekende de desinformatie die de Egyptenaren verspreidden een regelrechte ramp. Koning Hoessein sloeg het dringende advies van premier Levi Eshkol (gegeven in de ochtend van 5 juni) zich buiten de strijd te houden in de wind. Het was sowieso de vraag of de koning zijn leger, geleid door de Egyptische generaal Abd al-Munim Riad, tegen had kunnen houden. Wel beseften de Jordaniërs dat een grootscheepse aanval op Israël geen schijn van kans zou hebben, dus beperkten zij zich tot artilleriebeschietingen op Tel Aviv (de meeste granaten kwamen in zee terecht). Zorgwekkender was de positie van de bijna 200.000 Joodse bewoners van (West-)Jeruzalem. Vooral de enclave rond het Hadassah-ziekenhuis en de Hebreeuwse Universiteit was kwetsbaar, deze werd slechts verdedigd door 85 Israëlische politieagenten.

Koning Hoessein van Jordanië

Jeruzalem
De elite-eenheid van het Jordaanse leger, het Arabische Legioen, nam in de middag van 5 juni het VN-hoofdkwartier in het voormalige Britse Government House over, maar de Israëli’s gingen onmiddellijk in de tegenaanval en verdreven de Jordaanse troepen. Met deze schermutseling en de artilleriebeschietingen op Tel Aviv en West-Jeruzalem speelden Hoessein en Riad de haviken in de Israëlische regering perfect in de kaart. De zo lang gekoesterde droom heel Jeruzalem in te nemen lag binnen handbereik en de Jordaniërs zorgden met hun ondoordachte en op valse Egyptische informatie gebaseerde aanval voor de perfecte aanleiding. Terwijl de tankbrigades van Uzi Narkiss, commandant van het centrale front, Jeruzalem omsingelden, maakten parachutisten onder leiding van Mordechai ‘Motta’ Gur zich op voor hun aanval op de Oude Stad. Dayan was aanvankelijk tegen, bevreesd als hij was voor zware verliezen bij straatgevechten, maar nu waren het de politici die de verleiding de Kotel te ‘bevrijden’ niet konden weerstaan. Zelfs de voorzichtige Eshkol was voor, in de laatste uren van 6 juni liet hij Dayan weten: “De regering wil de Oude Stad.”
De Jordaanse troepen leverden fel verzet en de parachutisten durfden geen luchtsteun te vragen of tanks te gebruiken uit angst de heilige plaatsen te beschadigen. Het was de ochtend van 7 juni, heel Jeruzalem was inmiddels in Israëlische handen, net als alle belangrijke steden op de Westelijke Jordaanoever: Ramallah, Nablus, Jenin, Hebron en Betlehem – alleen de Oude Stad hield nog stand. Om half negen vielen de parachutisten de Lion’s Gate aan, namen haar in en rukten op door de nauwe Via Dolorosa. Jordaanse sluipschutters brachten hen verliezen toe, maar binnen minuten was de strijd voorbij: de Klaagmuur, de Tempelberg en de Al-Aqsamoskee waren in Israëlische handen. Nog voordat al het geweervuur in de Oude Stad was gestaakt, snelde Shlomo Goren, opperrabbijn van de IDF, naar de Muur. Een stoot op zijn sjofar maakte aan alle twijfel een einde. Na bijna tweeduizend jaar was Jeruzalem weer Joods.

Een stoot op zijn sjofar maakte aan alle twijfel een einde. Na bijna tweeduizend jaar was Jeruzalem weer Joods

Uzi Narkiss (met pet), Moshe
Dayan en Yitzhak Rabin op weg naar de Klaagmuur. Foto: GPO

Rond het middaguur liepen drie mannen door de Lion’s Gate, alle drie droegen zij uniformen, al was een van hen geen militair maar politicus. Moshe Dayan had sinds zijn benoeming een uniform en helm bij de hand gehouden voor precies zo’n moment. De andere twee waren generaals: commandant van het centrale front Uzi Narkiss en de van een zenuwinzinking herstelde stafchef van de IDF, Yitzhak Rabin. De foto van de drie op weg naar de Kotel werd een icoon. Bij de Muur stonden sommige parachutisten te huilen terwijl toegesnelde ultraorthodoxe Joden er dansten. “We hebben de stad herenigd, de hoofdstad van Israël, en zullen haar nooit meer delen,” sprak Dayan plechtig. Rabin zei weinig, maar noemde het moment later een lang gekoesterde, uitgekomen droom: ‘het was het hoogtepunt van mijn leven’. Toch is het niet de foto van de drie generaals bij de poort die in het collectieve geheugen van Israël en de wereld staat gegrift. Een ander plaatje, ook van drie militairen, zeker geen generaals, drukt duidelijker dan wat ook de emotie van het moment uit. Fotograaf David Rubinger, zelf veteraan van de Joodse Brigade tijdens de Tweede Wereldoorlog, nam de foto terwijl parachutisten Zion Karasanti, Yitzhak Yivat en Haim Oshri zwijgend, wat verwonderd en duidelijk onder de indruk van de gelegenheid bij de Klaagmuur stonden.
Toen de strijd gestreden was, ging de beurt over naar de diplomaten. Ook hier speelde de Egyptische propaganda een rol: zelfs de Sovjets hadden de verhalen van de vernietiging van de Israëlische luchtmacht en de opmars naar Tel Aviv op 5 juni geloofd. Vandaar dat zij Amerikaanse plannen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren te komen aanvankelijk negeerden. Toen de waarheid en de schaal van de nederlaag van hun Egyptische en Syrische bondgenoten in zijn volle omvang doordrong, ontstaken de communistische leiders in Moskou in grote woede. Het object daarvan waren uiteraard niet de leugenachtige Egyptenaren of de blunderende Syriërs en Jordaniërs. VN-ambassadeur Nikolai Federenko schreeuwde de Veiligheidsraad in New York toe dat de Israëli’s ‘marcheerden in de voetstappen van Hitlers beulen’, en premier Aleksei Kosygin dreigde de ‘criminele agressie’ van het ‘zionistische avontuur’ met militaire middelen te beëindigen.

Staakt-het-vuren
Aan de andere kant was de regering van de Amerikaanse president Lyndon Johnson zeker niet ontevreden met het verloop van de strijd. De Israëli’s waren er in duizelingwekkend korte tijd in
geslaagd met al hun vijanden af te rekenen zonder hun machtige bondgenoot in het conflict te betrekken. Washington begreep dat een staakt-het-vuren onvermijdelijk was, maar gunde de IDF de
tijd haar werk af te maken. Waar de Russen opeens haast hadden om wat restte van de Egyptische en Syrische legers te redden, trapten de Amerikanen op de rem. Om de Sovjets van een mogelijk militair avontuur af te houden, liet Johnson de machtige Amerikaanse Zesde Vloot in de Middellandse Zee naar het oorlogsgebied opstomen. Moskou eiste een onmiddellijke wapenstilstand waarbij al het bezet gebied diende te worden verlaten. De Amerikanen en – uiteraard – Israëli’s zagen er geen heil in. Washington stelde in de middag van 6 juni een onvoorwaardelijk staakt-het-vuren voor (dus zonder teruggave van veroverd land), in de wetenschap dat aanname hiervan door de strijdende partijen wel een paar dagen zou duren en de IDF had haar werk af te maken.
De Egyptenaren beseften dat de Sinaï verloren was en koning Hoessein begreep dat hetzelfde gold voor Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever. Doorvechten had geen zin, de Israëli’s waren militair in staat het Suezkanaal over te steken en naar Caïro op te rukken, terwijl de Jordaanse hoofdstad Amman vrijwel onverdedigd zou zijn als de Israëlische generaals en politici hadden besloten datzelfde te doen bij de Jordaan. Zelfs de Syriërs, traditioneel de minst rationele van de drie Arabische bondgenoten, beseften dat hun hoofdstad Damascus – op slechts 70 kilometer van de Golanhoogte – niet veilig was en aanvaardden op 9 juni schoorvoetend het Amerikaanse voorstel. De Israëli’s deden hetzelfde op 10 juni, na zes dagen was de strijd gestreden. Een van de verbluffendste overwinningen in de militaire geschiedenis was een feit: de Joodse staat had zijn grondgebied met een factor drie vergroot. Belangrijker nog, Israël was naar voren getreden als de onbetwist sterkste militaire macht in het Midden-Oosten. En het allerbelangrijkst: Jeruzalem was in Israëlische handen.

Legerrabijn Shlomo Goren en parachutisten bij de Kotel

Zangeres Naomi Shemer was in Arish in de Sinaï om op te treden voor IDF-soldaten, toen het nieuws binnenkwam dat de Oude Stad was ingenomen door de parachutisten. Snel veranderde zij het laatste couplet van haar populaire lied ‘Jeroesjalajim sjel zahav’. Daar, voor de zegevierende Israëlische troepen, zong zij voor het eerst de versie van ‘Jeruzalem van goud’ die voor zoveel van haar landgenoten de essentie van de Zesdaagse Oorlog bevatte… en nog steeds bevat:
We zijn teruggekeerd naar de oude bronnen, terug naar de marktplaats. De trompet schalt over de Tempelberg, in de Oude Stad. In de spelonken van de rotswand glinsteren duizend zonnen.Wij zullen opnieuw naar de Dode Zee gaan, over de weg naar Jericho.

Zondag op deze website deel 3: de nasleep.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*