Wennen aan een nieuw leven

NIW7616_01Op donderdag 14 januari nam Joël Cahen na 13½ jaar afscheid als directeur van het Joods Historisch Museum. Maar zijn leven na het JHM is al gestart.

Het NIW spreekt Joël Cahen in zijn nieuwe onderkomen, een klein kantoor in de Hollandsche Schouwburg, van waaruit hij werkt aan de opzet voor het Sjoa-museum aan de overkant van de Plantage Middenlaan, op het adres van de voormalige Kweekschool. De school die onder leiding van de inmiddels 104-jarige professor Van Hulst zo’n belangrijke rol speelde tijdens de oorlog. Al in april moet de eerste fase van het museum opengaan. Het kantoor van Cahen is een symbolische plek. Op deze verdieping van de Schouwburg bevond zich aan het begin van de oorlog, toen Joden al niets meer mochten, de Middelbare Joodsche Kunstnijverheidsschool W.A. van Leer onder directie van Jaap Kaas. De Schouwburg zelf toont deze dag leeg, er zijn bij binnenkomst drie bezoeksters en een bezoeker.
Hoe anders was dat afgelopen donderdag in het JHM, tijdens Cahens officiële afscheid. Mét de uitreiking van de Frans Banninck Cocq-penning en een speech van burgervader Van der Laan.

Een paar passages uit diens toespraak: “Je zegt dat een belangrijk Joods principe – ook voor jou – tikoen olam is, dat elke generatie moet proberen de wereld beter te maken. Dat principe heb jij in praktijk gebracht. Je laat het JHM in weer verbeterde staat achter.” En ook: “Je bent niet een man van grote woorden, maar je spreekt – met een twinkeling in de ogen – bedachtzaam en je bent indrukwekkend genuanceerd, zonder dat je woorden kracht verliezen.”
Die laatste zin is Joël Cahen ten voeten uit. Ook tijdens dit interview die twinkeling. En als je vraagt naar een project waar hij trots op is, volgt een hele rits namen die toch echt ook een grote rol hebben gespeeld in het slagen van dat bepaalde initiatief, totdat het de toehoorder duizelt. We laten ze voor de leesbaarheid van dit artikel weg, maar Cahen heeft talloze anekdotes, die een boek zouden kunnen vullen. Het NIW vraagt hem naar een terugblik en een blik vooruit.

Weg bij het JHM, hoe bevalt dat?
“Het is wennen aan een nieuw leven met minder verantwoordelijkheden. Ik ben nu zzp’er, werk drie dagen per week voor het JCK en ook aan het opzetten van een eigen consultancy. Ik zie het als een ereplicht om verder te mogen meewerken aan de opzet van het Nationaal Sjoa-museum | Hollandsche Schouwburg in oprichting. Zo luidt de werktitel, uit de echte titel zijn we nog niet, die zal binnenkort bepaald worden.”

Hoe kijk je terug op de periode als directeur van het JHM?
“Met heel veel genoegen, maar gemakkelijk is het nooit geweest.”

‘Zeg mij niet dat iets niet gaat lukken, want dan wil ik het juist’

Wapenfeiten?
“Moeilijk, want we hadden vijf tot zes exposities per jaar. Maar laat ik er vier noemen: de tentoonstelling over Meijer de Haan, in samenwerking met het Musée d’Orsay, ook omdat daar onderdelen aan waren waarvan men zei dat ik het nooit tot stand zou kunnen brengen. En zeg mij niet dat iets niet gaat lukken, want dan wil ik het juist.
Daarnaast de expositie over de Roemeense avant-garde, waarover het NIW ook uitgebreid heeft geschreven. Toevallig ontmoette ik op sjnor-reis in het Zwitserse Lausanne curator Radu Stern, die daar alles over kon vertellen. Ik ben toen samen met hem en conservator Edward van Voolen in Boekarest op onderzoek gegaan en we troffen een fantastische schatkamer. Die expositie is ook internationaal gegaan, maar niet zonder slag of stoot. Er waren voor- en tegenstanders. Kijk, Amsterdam is omgeven met veel polder en democratie. Daardoor duren beslissingen langer. In Berlijn gaat het anders. Daar zeggen collega’s: ‘Hier gibt’s kein Demokratie!’ Ook in het Israël Museum lag het anders. Daar vonden ze één werk spuuglelijk: een realistisch schilderij uit de hoogtijden van de sociaaldemocratie. Maar dat was een belangrijk werk. Het is er uiteindelijk toch ingekomen, maar de expositie zou daarna ook naar het Contemporary Jewish Museum in San Francisco gaan en dat is helaas niet doorgegaan.”

Dat zijn er twee…
“Waar ik ook met veel plezier op terugkijk is de tentoonstelling Gedurfd Verzamelen. Over drie vernieuwende Joodse verzamelaars, Slijper, Beffie en Van Wezel. Die namen hebben zoveel betekend voor de kunsten. Aan die expositie is enorm veel onderzoek voorafgegaan, ook omdat we het bijzondere en Joodse van hun verhaal willen vertellen.”

Ging het dan om de vraag of de kunst Joods was?
“Mijn opvolger Emile Schrijver heeft daarover veel nieuwe inzichten. Het was, vooral vanuit de critici, een constante vraag: Wat is er Joods aan Meijer de Haan? Aan Josef Israëls? Ons werd duidelijk dat er veel vooral Joodse verzamelaars waren die avant-gardekunst kochten. Bijvoorbeeld de eigenaar van diamantslijperij Beffie in de Ververstraat. Hij kocht al in 1914 drie Chagalls (thans in het Stedelijk), toen nog helemaal niet hip. En Slijper, de mecenas van Mondriaan. Maar bij zo’n expositie spelen ook veel praktische zaken: doeken die binnen een week moesten worden verplaatst, en dan is er ook nog, heel belangrijk, de verzekerings- en juridische kant van de zaak: heel belangrijk want je hebt met hoge waarden te maken.”

Punt vier?
“Daar kan ik echt niet alleen de credits voor krijgen, maar de verbouwing van het Joods Historisch tussen 2004 en 2007, waar al onder mijn voorgangster Rivka Weiss-Blok de plannen voor lagen, is heel belangrijk geweest. Dat was een spannende taak. Ja, het JHM moest gerenoveerd worden, maar voor het zeer ambitieuze ontwerp was geen geld. Dus moesten we dat aanpassen. Het resultaat is onder andere de museale Grote Sjoel, het Kindermuseum, het Auditorium en de prachtige inrichting van de Neie Sjoel. We hebben in zekere zin de Grote Sjoel teruggebracht naar de staat waarvoor het bedoeld was, inclusief het openen van alle ramen, die tot dan toe bedekt waren. Wat ons ook stro deed eten, want zoveel licht in een museum is niet altijd wenselijk. Ook daar vonden we iets op.”

Wat was je geheim? Hoe kwam het dat je zoveel voor elkaar kreeg en mensen tonnen doneerden aan het JHM?
“Men heeft mij altijd gezegd dat ik een goede associatieve denker ben. Ik weet touwtjes aan elkaar te knopen. Het gaat voor een groot deel over netwerken. Daarnaast heb ik een advies van leermeester Stephen E. Weil altijd heel goed in m’n oren geknoopt: ‘Only friendship’. Het onderhouden van relaties gaat over in vriendschap. Dat compliceert de zaak ook meteen. In de tijd voor het JHM, toen ik in Israël zat, lukten twee projecten niet. Zo iets is erg zuur.”

En dan nu?
“Ja. Nu. Allereerst moet ik een aantal persoonlijke zaken regelen. Daarnaast uiteraard het grote project, het Sjoa-museum. Op 17 april gaat de eerste fase van start met een expositie van Jeroen Krabbé’s De ondergang van Abraham Weiss over zijn in Sobibor vermoorde grootvader, en met een hoofdrol voor Jules Schelvis, die zijn model van Sobibor aan ons ter beschikking stelde. Nu gaan we 20 miljoen euro werven om het Sjoa-museum van de grond te tillen. Daarbij werven we in Nederland, zowel bij de overheid als bij publieke en private fondsen. Tegelijk bouwen we onze contacten in Duitsland, Israël, Frankrijk, Canada en de Verenigde Staten verder op. Het is een erezaak, niet alleen naar de slachtoffers toe, maar zeker ook naar de nabestaanden en vooral naar de huidige samenleving.”

Leg uit?
“Wij hoorden in het JHM vaak dat er niet voldoende aandacht was voor de Sjoa. Die is er wel, maar ik was het, in 1987, met mijn voorgangster Judith Belinfante eens dat we van het Joods Historisch geen tranendal moeten maken. Dat het JHM niet uitsluitend over 1940-1945 mocht gaan. Die periode konden wij toen zeker niet aan. Nu beseffen we dat dat verhaal een eigen museum moet hebben. Daarvoor moet hier ruimte zijn. Deze locatie is de plek. Voor kunst ga je naar het Museumplein, maar voor geschiedenis wordt het Joods Cultureel Kwartier het centrum. Ja, het zal drukker worden in deze buurt en wellicht is niet iedere bewoner daar blij mee, maar het is een grote kans voor de stad. ‘Broodje Meijer’ vertrokken naar Buitenveldert? Ik zie hier, in deze buurt, met alle aanloop, nog wel zo’n zaak openen. Hier, tussen Stopera en Hollandsche Schouwburg is het gat in de stad gevallen. Dit is de plek om het opnieuw in te vullen.”

Er is in deze buurt ook veel te doen over de Namenwand.
“Klopt. Als JHM hebben we ons er eerst tegen verzet, maar de laatste vier jaar niet meer. Mensen vinden het belangrijk, nu, als tweede generatie, om hun familie een plek te geven, om de naam van hun voorouders te kopen, voor die wand. Er wordt nu, naast het Wertheimpark, gekeken naar alternatieve locaties. Maar nee, niet het Amsterdamse Bos. Die wand hoort in deze omgeving, de omgeving die je iets doet.”

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*