Weg van het vervolgingscliché 

Peter Schaefer_ credit Jüdisches Museum Berlin, Foto Yves Sucksdorff (1)
Peter Schaefer. Foto: Yves Sucksdorff

Zijn wittebroodsweken zitten erop. Sinds ruim een half jaar is Peter Schäfer nu directeur van het Jüdisches Museum Berlin. Voor het eerst iemand zonder Joodse achtergrond aan het hoofd van het gezaghebbende instituut. Een gesprek over ‘Joodse clichés’, oprukkend antisemitisme en het gewicht van de Duitse schuldvraag. 

Door: Ariane Kleijwegt

Ook wie door de vaste tentoonstelling van het Jüdisches Museum in Berlijn loopt ziet ze vrij snel staan. Eklesia en Synagoga, de een triomferend met kroon, de ander geblinddoekt met gebroken lans en afgewend gezicht. De twee vrouwfiguren, in origineel terug te vinden in veel middeleeuwse kathedralen, symboliseren de overwinning van het christendom op het jodendom. Maar ze staan in vrijwel ieder Joods museum ook symbool voor de onderdrukking van de Joden door de eeuwen heen. Voor de nieuwe directeur zijn ze vooral ‘een negatief cliché’, waarvan hij er minder wil in zijn museum. Een museum dat een wereldwijde reputatie opbouwde met haar permanente expositie en prachtige architectuur, maar zeker ook met provocerende tijdelijke tentoonstellingen (zie kader). „De Joodse geschiedenis voorstellen als één grote klaagzang is een stereotype. Het was niet alleen maar vervolging wat de klok sloeg.”
Peter Schäfer schenkt thee in zijn ruime werkkamer in de nok van het beroemde bouwwerk van architect Daniel Liebeskind. De strak ingerichte ruimte biedt uitzicht over ‘de tuin der verbanning’. Die naam verwijst naar de gedwongen migratie van veel Duitse Joden. Zelf groeide Schäfer op in een katholiek gezin in het Duitse Ruhrgebied, maar hij bracht een groot deel van zijn leven in het buitenland door, in Israël en de Verenigde Staten. Hij onderwees als professor aan Princeton University en geldt als een van de grootste kenners van het jodendom in onze tijd. De invloed van zijn migrantenbestaan is merkbaar. Ook al is de voertaal Duits, hij ontvangt met die typisch Amerikaanse vriendelijkheid, in alles erop gericht om het zijn gast gemakkelijk te maken. Een enkele keer ontglipt hem een woord of een zinnetje in het Engels, vooral als hij zich even laat gaan. „That’s none of his business!” zegt hij over de Duitse journalist die onlangs een oordeel velde over de omhelzing van voormalig SS-er Oskar Gröning door een Holocaust-overlevende tijdens het laatste Auschwitz-proces. Haar gebaar en oproep tot verzoening baarde veel opzien in Duitsland én daarbuiten. Toch is Schäfer ook de typische, ietwat stijve geleerde: welbespraakt, maar beheerst en bedachtzaam, en meer op zijn gemak in zijn werkkamer dan tussen de vele bezoekers in zijn museum. Een spontane rondgang door het gebouw zit er niet in.

U bent de eerste niet-Joodse directeur van het Jüdisches Museum Berlin. In welke mate speelt dat een rol?
„Sinds ik deze aanstelling heb aanvaard is het me vaak gevraagd: kan dat wel? Aan Princeton of in Jeruzalem is het nooit een thema geweest. Maar dan zeg ik: ja, dat kan. Een wiskundige hoeft ook geen driehoek te zijn. Bovendien is dit museum geen instituut dat tot het jodendom behoort. Het is een stichting die gefinancierd wordt door de Duitse Bondsrepubliek.”

Toch waren uw twee voorgangers wel Joods, en de architect van dit gebouw ook. Allen zonder Duitse nationaliteit. Zegt het iets over de tijdgeest dat uw aanstelling met die traditie breekt?
„Ik denk het wel. Waarschijnlijk had ik bij de oprichting van dit museum ruim twintig jaar geleden met mijn achtergrond geen kans gemaakt. En dat is niet per se een negatieve ontwikkeling. Michael Blumenthal [zijn voorganger, red.] zei altijd: ik ben Joods, maar ik begrijp van mijn ‘Joods zijn’ niet veel. Bij mijn aanstelling ging het meer om mijn kennis en minder om de goedkeuring. Wij Duitsers gaan inmiddels meer ontspannen met ons verleden om. Begrijp me niet verkeerd. Dat de vraag wordt opgeworpen vind ik goed. De Holocaust is iets wat onze geschiedenis zal blijven beïnvloeden. Dat zal ook nooit veranderen. Maar er is inmiddels een groter vertrouwen dat wij Duitsers ons daar allen bewust van zijn en dat het duidelijk is dat het nooit meer zal gebeuren.”

U heeft bij uw aanstelling gezegd dat u wilt breken met ‘de negatieve clichés rond het jodendom’. Wat bedoelt u daar precies mee?
„De Joodse geschiedenis wordt vaak als pure vervolgingsgeschiedenis voorgesteld: getto’s, pogroms, Holocaust. Dat is natuurlijk waar, maar het is een misvatting dat er door de geschiedenis heen geen contact en wederzijdse beïnvloeding tussen christenen en Joden was. We weten dat het jodendom het christendom sterk beïnvloed heeft, maar dat het ook andersom was is minder bekend. Een voorbeeld is de Mariaverering. Die was rond 1200 in Zuid-Frankrijk op zijn hoogtepunt. Precies rond die tijd stond er binnen het jodendom een grote beweging op, die aan God niet drie maar tien krachten toedicht, waarvan één vrouwelijk. Sindsdien is het in het jodendom de vrouwelijke kracht die bemiddelt tussen God en de mensen, het snijpunt tussen hemel en aarde.”

Hoe gaan bezoekers deze inzichten terugzien in het museum? Met een Mariaverschijning?
„We kunnen natuurlijk voorbeelden van de Mariaverering laten zien, maar in het jodendom hebben we alleen maar teksten, geen afbeeldingen. Dus dat is lastiger voor een museum. Daar zijn we nog niet uit. Maar er zijn ook andere voorbeelden van contacten tussen Joden en christenen die we wel kunnen visualiseren.”

Bent u niet bang voor kritiek als u afdoet aan wat u Joodse ‘vervolgingscliché’ noemt?
„Ja, maar het is geen nieuw inzicht. Al aan het begin van de 20e eeuw maakte de Joodse geschiedschrijver Salo Baron korte metten met de neiging de Joodse beleving door de jaren heen vooral als een lijdensweg voor te stellen. Die opvatting heeft zich doorgezet. In de wetenschap is het allang een gepasseerd station.”

Waarom wordt er dan nog steeds in geloofd?
„Omdat het lang het heersende paradigma was. Ook in de wetenschap. Het is een cliché dat niet alleen onder Joden leeft. Ook veel christenen voelen zich nog altijd schuldig aan de Jodenvervolging. En het is natuurlijk ook zo dat een groot deel van de Joodse geschiedenis in het teken staat van vervolging. Maar niet alles. Het gaat er in de kern om welke accenten je wilt uitwerken. En daarbij hoort ook dat je laat zien hoe beide religies elkaar beïnvloed hebben. Dat zal ook christenen goed doen. Die moeten weten dat ze de Joden niet alleen onderdrukt maar ook geïnspireerd hebben.”

U weet veel over de geschiedenis. In hoeverre moet de actualiteit een rol spelen in uw museum?
„Hét thema van nu is opnieuw oplaaiend antisemitisme. In het bijzonder het islamitisch gekleurde antisemitisme. Maar daar kunnen we geen tentoonstelling over maken.”

Waarom niet?
„Hoe wil je dat dan doen? Wat moet je laten zien? Er is niets om te laten zien. Antisemitisme in de islam speelt in de geschiedenis een veel minder grote rol. De islam stond veel toleranter tegenover de Joden dan het christendom. Dat maakt het ook zo angstaanjagend dat bij het hedendaagse antisemitisme juist ook bijzonder veel moslims betrokken zijn. Daar moeten we over praten, daar moeten we over in debat gaan. Maar daar kan je geen tentoonstelling over maken.”

Moet het museum een functie vervullen in dat debat?
„Zeker. We zijn in die zin een bijzonder museum. We hebben ook een onderwijsopdracht. We bouwen op dit moment een Joods-islamitisch forum in ons aanpalende debatcentrum. Daar gaan we debatten en conferenties organiseren waarvoor we jonge mensen uitnodigen: moslims, Joden, christenen hier uit Berlijn. Die willen we samenbrengen en dan wil ik weten hoe een jonge moslim in Duitsland over de Holocaust denkt en een jonge Jood tegen de Nakba [het Arabische woord voor de verdrijving van de Palestijnen uit Israël in 1948, red.] aankijkt.”

Over de actualiteit gesproken: in de Duitse pers is discussie ontstaan over de omhelzing van de hoogbejaarde Oskar Gröning, voormalig SS’er en ‘boekhouder van Auschwitz’ door een slachtoffer, tijdens wat waarschijnlijk het laatste Holocaust- proces zal zijn. Hoe kijkt u daartegenaan?
„Ik vind dat niemand het recht heeft om een Holocaust-slachtoffer te zeggen wat hij moet doen. Niemand. En als een slachtoffer een dader tegemoet treedt en hem laat zien dat hij of zij zich met hem verzoenen wil, dan vind ik dat een reusachtig gebaar, maar niet iets wat ik beoordelen kan. No way. Als ze op hem af zou stappen en hem een oorvijg zou geven, gaat het mij ook niets aan. Maar als we het over de gevolgen van de Holocaust hebben, dan zou ik graag met deze vrouw in gesprek gaan en zou ik graag horen hoe ze daartoe gekomen is, hoe ze zich erbij voelt, of ze er iets mee duidelijk wil maken. Zulke thematiek krijgt zeker een podium in ons forum.”

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*