Waterlooplein: slechts kleding en ondergoed

Waterlooplein in 1932 met achterin de Mozes en Aäronkerk. Bron: Stadsarchief Amsterdam
Waterlooplein in 1932 met achterin de Mozes en Aäronkerk. Bron: Stadsarchief Amsterdam

In april verscheen het boek Waterlooplein, met de veelzeggende ondertitel De laatste joodse bewoners van de nummers 64-78. Het is opgedragen aan de drie jongste vermoorde bewoners van het rijtje huizen aan misschien wel het bekendste plein in Amsterdam, alle drie baby’s.

Door Elma Verhey

Esther Platvoet is acht maanden oud als ze samen met haar moeder (23) en haar vader (27) wordt vermoord in Sobibor. Robert Isaac van Gelderen is zes maanden als hij samen met zijn moeder (25) wordt vermoord. De allerjongste, Judith Cosman is vijf maanden. Haar ouders, 24 en 23 jaar, worden op diezelfde dag, 26 augustus 1942, om het leven gebracht in Auschwitz.
In de acht panden aan het Waterlooplein die historica Wally de Lang in kaart brengt, woonden 114 Joodse bewoners, slechts tien van hen hebben de oorlog overleefd, iets minder dan 10 procent. Dat cijfer is misschien wel het schokkendste aspect van Langs onderzoek. Het laat zien dat de merendeels straatarme bewoners van wat na de oorlog met de nodige nostalgie ‘het kloppende hart van de Amsterdamse Jodenbuurt’ wordt genoemd, geen serieuze kans maakten om te overleven.
Als de anti-Joodse maatregelen na de bezetting in mei 1940 hand over hand toenemen, is het voortdurend hommeles op het Waterlooplein. Er vinden rellen en vechtpartijen plaats, letterlijk voor de deuren van de nummers 64-78. In het rijtje huizen tegenover de Mozes en Aäronkerk worden ruiten ingekinkeld en deuren ingetrapt. Dagenlang durven de bewoners nauwelijks de straat op. In februari 1941 leiden de vechtpartijen ertoe dat 425 mannen uit de buurt, allen tussen de 20 en de 35 jaar, door de nazi’s worden opgepakt. In de weken daarna komen ze om in concentratiekamp Mauthausen.

Uitzondering
Sigarenmaker Tak (Waterlooplein 64), een van de weinige bewoners op het rijtje met een béétje geld, besluit met zijn vijf kinderen naar het ‘veilige’ Amsterdam-Zuid te verhuizen. Vader Tak blijft wel aan het Waterlooplein zijn sigarenzaak runnen. Niet dat het gezin door de verhuizing wordt gered. Vader en moeder Tak komen om in Auschwitz en ook drie kinderen, die verraden zijn in de onderduik. Maar toch: de broers Juda en Roelof hebben de oorlog overleefd.
De Taks, waarvan alle kinderen naar school gaan en een opleiding volgen, vormen een uitzondering op de bewoners van het rijtje huizen. Wat moet Mozes Platvoet, met zijn gezin van negen kinderen? (Waterlooplein 78-II, een etage van 62m2, wat overigens groot is, de meeste etages zijn niet groter dan 23m2). Mozes werkt als losarbeider in de Amsterdamse haven en als daar geen werk is, probeert hij wat geld te verdienen met het venten van bloemen of met het ophalen van lompen. Een van de negen kinderen Platvoet, zoon Salomon, wordt achttien keer (!) ‘betrapt’ (en beboet) bij het leeghalen van vuilnisbakken – zo hoog was de nood kennelijk. Honger is allesbehalve uitzonderlijk in het gezin Platvoet, en dat geldt voor veel meer gezinnen in de buurt. Evenals het ontbreken van verwarming, het bezit van louter kapotte schoenen en kapotte kleding.
Lukt het menig gezinshoofd vóór de oorlog al nauwelijks om het hoofd boven water te houden en hun (grote) gezinnen zelfs maar te eten te geven, als de oorlog uitbreekt wordt de situatie nog penibeler. Velen zijn zowel ongeschoold als analfabeet. Ze moeten de kost zien te verdienen als ‘lompensorteerder’, ‘venter in allerlei’, ‘kolensjouwer’ of ‘koopman ongeregelde handel’. Niet-Joden mogen na de bezetting in mei 1940 niet meer bij Joden kopen en als de deportaties in de zomer van 1942 op gang komen, neemt het aantal Joodse klanten met de dag af.

Op de loer
Veel informatie die De Lang over de gezinnen wist te achterhalen, is afkomstig uit hun dossiers bij het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijke Steun, waar 17 van de 26 gezinnen een beroep op deden, lang niet altijd met succes. Het beleid tegenover de Joodse paupers is snoeihard. Van de buren moet men het ook niet hebben. In de dossiers zitten de nodige ‘klikbrieven’, zoals ze destijds worden genoemd. Bij het gezin De la Penha (Waterlooplein 78-III) liggen ambtenaren vijf dagen op de loer om na te gaan of het klopt dat het gezin (dat de inboedel heeft moeten verkopen om aan eten te komen) echt ‘kostgangers’ in huis heeft en ‘bijverdient met naaiwerk’, zoals een van de buren meent te weten.

Van de buren moet men het ook niet hebben. In de dossiers zitten de nodige ‘klikbrieven’

Op de familie Talhuizen na die een kosjere kruidenierswinkel drijft (Waterlooplein 74), krijgt geen van de bewoners een zogenaamde Sperre, de felbegeerde verklaring dat men bis auf weiteres van deportatie is vrijgesteld. Ook dat verklaart waarom zoveel bewoners van het Waterlooplein zijn omgekomen. Onderduikorganisaties komen pas eind 1942 en begin 1943 goed op gang. Wie het vertrek naar ‘de werkkampen’ tot die tijd heeft weten uit te stellen, vaak dankzij relaties bij de Joodsche Raad, maakt een veel grotere kans op overleven. Dergelijke contacten hebben deze sloebers helaas niet. Hun namen zijn dan ook terug te vinden op de allereerste transportlijsten, zoals die van Lena Finsi (16), Waterlooplein 74-1.
Een paar dagen na haar vertrek melden de Nederlandse(!) politierechercheurs Van Diemen en Veldhuizen zich bij Lena’s ouders met de vraag of Lena wellicht bezittingen heeft. Nur Kleider und Leibwäsche, ‘slechts kleding en ondergoed’, noteren de plichtsgetrouwe dienders. Ze bellen ook bij de buren, de familie Druijf aan, op nummer 72-I. Dochter Alida (20) wordt korte tijd later gedeporteerd, samen met haar kersverse echtgenoot Hein Lindeman, met wie ze halsoverkop is getrouwd. Maar ook Alida en Hein laten slechts ‘Kleider en Leibwäsche’ achter. Ook bij de families Cohen Paraira (Waterlooplein 72), Vrieslander (Waterlooplein 74-II) en Roodveldt (Waterlooplein 78-I) wordt niets van waarde geconstateerd. Het is zelfs de vraag of de firma Puls, die de inboedels afvoert, ooit heeft moeten uitrukken voor dit deel van de stad.
In augustus 1943 wordt Amsterdam door de nazi’s ‘Judenrein’ verklaard. De bewoners van het rijtje huizen aan het Waterlooplein zijn al maanden eerder gedeporteerd en vermoord. Hun huizen staan al tijden leeg en worden, bij gebrek aan nieuwe huurders, dichtgemetseld, ook vanwege het ongedierte. In de hongerwinter van 1944 worden de woningen goeddeels gesloopt door de Amsterdamse bevolking, op zoek naar (brand)hout. Tijdens haar onderzoek stuit De Lang in het Stadsarchief op de bewaard gebleven foto’s van het steeds verder instortende rijtje huizen tussen de jaren 1943 en 1946, dat wordt de aanleiding voor dit boek.

Het instortende rijtje huizen in augustus 1944

Broodnodig
De meeste bewoners zijn tussen september en november 1942 gedeporteerd. Begin 1943 zijn er nog welgeteld vier etages van de acht panden bewoond. In de rest van de buurt is het niet veel beter. Het is opmerkelijk hoe snel de meeste Waterloopleinbewoners vanuit Westerbork worden doorgestuurd. Ook daar blijken contacten broodnodig om deportatie naar de vernietigingskampen zo lang mogelijk uit te stellen – wat de kans op overleven vergroot.
Wally de Lang heeft de weggevaagde en goeddeels vergeten bewoners van het Waterlooplein een gezicht gegeven. Op het kleine stukje waar de bewoners van Waterlooplein 64-78 hebben geleefd, herinnert niets meer aan hun bestaan. Dat geldt voor heel Vlooienburg, de bijnaam voor het armoedige gebied waar de honderden Joden woonden rondom het Waterlooplein, en waar nu de Stopera staat. De gemeente Amsterdam mag zich dat aantrekken.

 

Waterlooplein, de laatste joodse bewoners van de nummers 64-78, Wally de Lang, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, € 19,99

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*