Was het kwaad banaal?

ArendtIn Margaretha von Trotta’s film Hannah Arendt zien we een vrouw die hoe dan ook het kwaad wil begrijpen. Ze trekt conclusies die bij haar mede- Joden tot grote woede leiden.

Op 2 mei ging ook in Nederland Margaretha von Trotta’s Hannah Arendt in première, haar fi lm over de Duits-Joodse politieke denkster die berucht werd om haar these over ‘de banaliteit van het kwaad’, die tot een van de bekendste frases uit de politieke fi losofi e uitgroeide. Arendt werd geboren in 1906 en studeerde in Marburg fi losofi e onder Heidegger, de later in nazistisch vaarwater belande fi losoof met wie ze enige tijd een relatie had en die haar leerde ‘denken’. Ze ontvluchtte Duitsland en vervolgens, dankzij visums van de Amerikaanse diplomaat Hiram Bingham IV, ook Frankrijk. Ze belandde met haar echtgenoot Heinrich Blücher in het Joodse intellectuele milieu in New York en groeide in de Verenigde Staten uit tot een vooraanstaand denkster over vrijheid, macht, geweld en totalitaire systemen (The Origins of Totalitarianism, 1951). In 1961 werd ze door The New Yorker naar het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem gestuurd (in de fi lm zitten originele zwart-witbeelden van de rechtszaak) om er artikelen over te schrijven, die zouden uitmonden in haar boek Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil. Ze kwam tot de slotsom dat hier een type dader aan het woord was dat niet overeenstemde met het traditionele beeld van de wrede massamoordenaar: daar stond, in zijn glazen kogelvrij hok, geen losgeslagen sadist, maar een schrijftafelmoordenaar die tot vlak voor zijn executie door ophanging, op 31 mei 1962, bleef volhouden dat hij ‘de regels van de oorlog en zijn vlag’ gehoorzaamde, dat hij bevelen had opgevolgd en niets anders. En hij vertoonde geen spoor van berouw of zelfrefl ectie.

Gedachteloos
Arendts artikelenreeks, en het boek dat daarop volgde, vestigde voorgoed de idee van ‘de banaliteit van het kwaad’. Voor haar komt het kwaad niet voort uit radicaal denken (Eichmann was beslist een overtuigd nazi, hoewel hij bij de SS ging om carrièreredenen, zoals hij zei), maar is dat eerder een gevolg van een gebrek aan denken, de neiging van mensen om orders te volgen in plaats van zelfstandig na te denken: eigenlijk dacht Eichmann niet, en de fi lm laat prachtig zien hoe ze tot die conclusie komt. Als aanklager Hauser hem vraagt of Eichmann misschien wat meer Zivilcourage (burgerlijke moed) had moeten hebben blijkt dat hij er geen benul van heeft wat daarmee wordt bedoeld: hij geeft een antwoord dat erop neerkomt dat zoiets dan van hogerhand bevolen had moeten worden. Von Trotta geeft door scherp gemonteerde rechtszaalfragmenten een prachtige samenvatting van Eichmanns wereldbeeld. Maar Arendt had ook kritiek op het gedrag van Joodse leiders, die tegenover hun kwelgeesten soms te meegaand of naïef waren geweest. De Joodse gemeenschap was woedend op haar. Goede vrienden verbraken het contact – pijnlijke scènes in de fi lm. Ze krijgt enorme hoeveelheden van wat we nu haatmail noemen, ze wordt voor ‘hoer’ uitgemaakt. In die vroege jaren 60 is het discours nog simpel: ‘de nazi’s waren de daders, de Joden de slachtoffers en zo moest het blijven’, zegt Von Trotta tijdens een kort interview met het NIW in Amsterdam. Alles wat op een nuancering leek was anathema, hoewel Arendt het daderschap, en dat is het verwarrende, niet wezenlijk nuanceert, want een dader is een dader, ook al is hij een niet-denker: hij blijft schuldig vanwege zijn gebrek aan autonoom moreel oordelen en handelen. Arendt blijft vastberaden haar eigen denkkoers volgen – ze stort in de fi lm maar één keer in – ook al kost haar dat belangrijke vriendschappen. „In het begin was ik bang voor haar,” zegt Von Trotta. „Ik dacht dat ze arrogant of hard was. Ik hoorde op een cd interviews met haar uit de jaren 60 en toen klonk ze nogal rechthaberisch. Ik dacht, hoe krijg ik in godsnaam ooit toegang tot die vrouw! Maar toen ik die gesprekken op beeld zag, haar lichaamstaal, toen was ze heel charmant.” Het hoogtepunt van de fi lm – vooral een praatfi lm, met veel sfeervolle beelden vol discussiërende Duitse Joden in het New York van rond 1960, ‘dat polemische praten hadden ze meegenomen uit het Berlijn van de jaren 20’ – is de redevoering in de collegezaal, waarin Arendt, geweldig vertolkt door Barbara Sukowa, haar visie op Eichmann uiteenzet. Ze maakt nogmaals duidelijk dat diens doodstraf terecht is, in bewoordingen waarmee ze ook haar boek beëindigt: Eichmann voerde een beleid uit waarbij hij de aarde niet met het Joodse volk wil delen; ‘we menen dat van (…) geen enkel lid van de menselijke soort verwacht kan worden dat hij de aarde met jou wil delen. Dat is de reden, en de enige reden, dat jij moet hangen.’ Daverend applaus in de fi lm, maar niet iedereen is overtuigd.

Gruwelijkheden
Het was destijds al een misverstand dat Arendt de kwade bedoelingen van Eichmann niet zou hebben doorgrond. Volgens Joke Hermsen in de Groene Amsterdammer doorzag Arendt Eichmanns kwade bedoelingen prima, maar wilde ze daarmee niet volstaan. Ze wilde begrijpen hoe ‘brave huisvaders’ tot gruwelijkheden in staat waren. Het lijkt Hermsen ‘zinvoller dat we ons ook vandaag de dag realiseren dat apocalyptische betogen (…) ons inzicht in geweld niet vergroten maar versluieren. Wie het kwaad als een demonisch fenomeen neerzet, heeft geen oog voor de microfysica van het geweld.’ Het raadsel van het kwaad is niet opgelost, maar er lijkt behoorlijk wat consensus over de vitale factoren die ertoe leiden, afgezien van psychotische eigenschappen van sommige individuen, die echter eerder uitzondering dan regel zijn: steeds weer stuiten onderzoekers op gebrek aan autonoom denken en de enorme invloed van de context. Er zijn beslist sadisten die genieten van geweld (we hoeven maar te denken aan Primo Levi’s fundamentele Auschwitzboek Se questo è un uomo (‘Is dit een mens’, 1947), maar de sociologen en psychologen richten zich, naar aanleiding van studies over het beruchte politiebataljon 101 (een van de Einsatzcommando’s in Rusland) en het gedrag van bommenpiloten en duikbootkapiteins (zie Sönke Nietzel en Harald Welzer, Soldaten) de laatste decennia meer en meer op de context. Homo sapiens is extreem gevoelig gebleken voor groepsdruk, en hij vindt aanvaarding door zijn directe kameraden doorgaans belangrijker dan moreel handelen. Het autonome denken is de mensen niet aangeleerd, maar het volgen van regels wel, en om allerlei biologische redenen verstoppen ze zich liever in de groep dan dat ze de pijnlijke route van het bewuste, morele handelen volgen waarbij ze zich bij iedere stap die ze zetten afvragen wat de gevolgen ervan zijn.

Gehoorzaamheid
Stanley Milgram, geestelijk vader van het beruchtste sociologische experiment ooit, zijn ‘Gedragsstudie naar gehoorzaamheid’ (1963), zag in Arendts werk de bevestiging van zijn eigen wereldbeeld, al drukte hij zich nog voorzichtig uit: ‘Arendts concept van de banaliteit van het kwaad komt dichter bij de waarheid dan men zich durft voor te stellen’. Milgram constateerde veertig jaar geleden, een jaar na Eichmanns dood, hoezeer de mensen bereid zijn bevelen te gehoorzamen – hoewel niet allemaal! –, een vaststelling die ons tot op de huidige dag zwaar op de maag ligt, maar door sociologische research van de laatste decennia alleen maar vaker is bevestigd: context is bijna alles. Het debat over Eichmann is echter nooit verstomd. Zijn biograaf David Cesarani heeft erop gewezen dat Eichmann zelf vaak heeft beweerd dat hij geen bevelen volgde, maar een gemotiveerde antisemiet was; zijn uitspraak dat hij bij de gedachte aan zes miljoen vermoorde Joden ‘lachend’ in zijn graf zou springen werd berucht. Veel van de Arendt-‘weerleggingen’ zijn gebaseerd op interviews die hij in 1957 in Argentinië gaf aan ex-SS’er Sassen en ook Bettina Stangneth laat in haar recente Eichmann-biografi e weinig heel van mensen die in Eichmanns bureaucratische ‘pose’ in Jeruzalem trapten, met inbegrip van Hannah Arendt. Maar Von Trotta denkt niet dat Arendt ooit weerlegd is. ‘Eichmann sprak uitsluitend in clichés, in bureaucratismes. Dat Eichmann zijn rol in het proces kleiner trachtte te maken, dat doet iedere beklaagde. Maar zijn manier van praten had hij nooit zo kunnen aanpassen.’ De scènes met Heidegger heeft ze vrij kort gehouden, een romantisch onderdeel waarop menig regisseur toch lekker ‘los’ was gegaan. „Die scènes vind ik lang genoeg. Heidegger was de superdenker die haar het belang van denken voorhield, maar die toch in het nationaal-socialisme trapte. Hij heeft Arendts these bijna weerlegd, dat denken je beschermt voor verkeerd handelen. Arendt heeft tijdens interviews gezegd dat de sympathie van nazi’s voor Hitler te verwachten viel, maar dat intellectuelen vaak geen afstand namen vond ze zeer teleurstellend. Dat leidde ertoe dat ze zich distantieerde van de zuivere fi losofi e en zich meer op het politieke denken richtte.” Hannah Arendt is een typische driesterrenfi lm: mooi gemaakt, maar voor een specifiek soort liefhebbers.