Verhalen achter de oproep

4. De ouders van Mia van Leeuwen-PremselerHet NIW stond na de oorlog vol advertenties van mensen die informatie zochten over gedeporteerde of andere tijdens de oorlog verdwenen familieleden. Welke verhalen gaan schuil achter die noodkreten? Verslag van een speurtocht.

Door Marnix de Bruyne

Het is een kleine, onopvallende annonce die begin juni 1945 voor het eerst in het naoorlogse NIW om informatie vraagt over een vermist familielid. Eerst meldt de ‘Fam. M. Serphos-Koppels’ op welk adres in Amsterdam zij ‘voorloopig’ is neergestreken. De regels passen goed bij de andere advertenties, die laten zien hoe ‘opgedoken’ Joodse Nederlanders de draad weer oppakken. Een makelaar ‘hervat zijn zaken van vóór april 1942’, een leraar steno en typen ‘geeft weer les’, een arts ‘hervat zijn praktijk’ – net als talloze advocaten, tandartsen en verloskundigen. Dan volgt de nog aarzelend klinkende vraag. ‘Weet iemand iets van hun dochter Bertha Serphos, geboren 10 juni 1929?’ Het is het begin van een stortvloed noodkreten, die maanden, jaren zelfs, zal aanhouden in het NIW. Wat zijn de verhalen achter die advertenties? Wie stelde ze op? Hebben ze enige zin gehad? Met die vragen in mijn hoofd pak ik de ingebonden jaargang van 1945, het jaar waartoe ik me beperk. Enkele advertenties zal ik uitkiezen, is het plan, om die verder uit te diepen. Tijdens de eerste fase, bladerend door vergeeld, breekbaar krantenpapier, voel ik me vooral een tijdreiziger. Ik voel iets van de euforie over de bevrijding, en ook van de verbijstering en het verdriet over het grote verlies In het eerste nummer, van 17 mei 1945, vallen twee berichtjes op. Het ene maakt melding van een ‘Joodsche ex-onderduikster’, die bij de intocht van de Prinses Irene Brigade bloemen aanbiedt, met een Jodenster nog op haar kleren. De burgemeester van Den Haag ‘verwijderde hierna eigenhandig de ster, onder luid gejuich der menigte’. Daaronder wordt de arrestatie gemeld van Aus der Fünten, een van de latere Vier van Breda. Latere edities bevatten meer hoopvol nieuws. Zoals de melding dat 1100 Nederlandse Joden in Theresienstadt zijn bevrijd. Of dat de politie in een keldergang in een synagoge 67 Torarollen vond, met zilveren voorwerpen als siertorens en Toraschilden; kennelijk met succes voor de Duitsers verborgen. Tegelijkertijd weerspiegelen de paginaÐs in het NIW het leed van die jaren. Detectivebureaus en de Maatschappij tot Terugbrenging van Joodsch Bezit ‘in oprichting’ bieden zich aan om te bemiddelen bij en te speuren naar gestolen bezittingen. En er wordt gezocht naar Joodse pleegouders voor oorlogswezen.

Eén muisklik
Van Henriette Boas, de later zo bekend geworden schrijfster van ingezonden brieven en kritische volger van het Nederlands jodendom, drukt het NIW in 1945 een ontroerend gedicht af. Ze schreef het na op 27 mei dat jaar een BBC-radioreportage te hebben gehoord vanuit het bevrijde kamp Bergen-Belsen. Nederlandse kinderen hadden er ‘Lang zullen zij leven’ gezongen ter ere van de Engelse soldaten. Ze zongen het ‘op enkele meters van de lijken/de gruwel, en de felle stank/die van wie Ðt eens zag, nooit meer wijken’, dichtte Boas. ‘Is het niet zonde, dat ze zingen/terwijl hun ouders zijn gedood’, vraagt ze. Na meer twijfels te hebben geuit, gaat ze hun gezang echter zien als teken van kracht, sterker ‘dan ooit bezweek voor menschenmacht’. ‘En bij de kinderen van Belsen/ zoo ongedeerd en onvervaard/voeg ik mijn stem, eerst schor en aarzelend,/maar die hun heldÐre zang verklaart:/”Lang zullen ze leven,/lang zullen ze leven,/in de gloria!”’ Het verbaast niet dat de NIW-lezers mede door zoÐn gedicht hoopten dat ook hún geliefde zich onder bevrijde kampbewoners bevond. Meestal waren het familieleden die in advertenties om informatie vroegen, vaak was het de Joodse Coördinatie Commissie. Of het American Distribution Committee, dat met 35 namen in één advertentie het record van 1945 op zich nam. Uiteindelijk wil ik ruim dertig advertenties verder onderzoeken. Ze bevatten namen van mensen die laat zijn gedeporteerd – eind 1944 – in de hoop dat ze mogelijk ‘opduiker’ zijn geworden. En advertenties die om andere redenen opvallen. Een arts van wie het nummer wordt vermeld dat in Auschwitz op zijn arm is getatoeeerd; een Nederlander die in Frankrijk is opgepakt. Aan enige willekeur ontkom ik niet.

De rest van het artikel kunt u lezen in NIW 30. Hieronder vindt u een van de verslagen van een zoektocht naar aanleiding van een oproep direct na de oorlog in het NIW:

Marie Logher en Louis Premseler

Het was op een avond in 1973 dat de bel ging bij Hans, geboren als Nick Premseler. Een onbekend nichtje kwam een enveloppe afgeven. Er bleek een fotoalbum en een 16mm-filmpje in te zitten met opnames van zijn ouders, zijn onbezorgd ronddartelende zusje en andere familieleden, gefilmd op haar tweede verjaardag.
Hans maakte fotoafdrukken van de kleine filmbeeldjes die hij uitzocht met een loep. Het was de eerste keer dat hij beelden van zijn vader, moeder en andere familie van nabij zag. „Het was een welkome verrassing, maar ook een schok voor mijn broer,” zegt Mia van Meeuwen-Premseler (72) in haar zonnige woning in Leimuiden. „Het was een emotioneel moment,” beaamt Hans (70), die op bezoek is.
Hun beider vader, Louis Premseler, was letterschilder, vermoedelijk voor etalages, en vertegenwoordiger. Waarin, weten Mia en Hans niet. Louis was te werk gesteld bij de aanleg van het Amsterdamse Bos. Daar werd hij in oktober 1942 opgepakt bij een razzia.
Zijn vrouw, Marie Logcher, hoogzwanger van Nick, liet Mia onderduiken bij het kinderloze, christelijk gereformeerde echtpaar Meeboer in Amsterdam. Zijzelf trok in bij een groep familieleden die zich had verschanst op zolder van een verder leegstaand huis. „Ze werden ontdekt toen het pand werd gepulst,” zegt Mia, verwijzend naar verhuisbedrijf A. Puls, dat voor de Duitsers woningen van gedeporteerde Joden leeghaalde. „Ze konden geen kant meer op.” Het verzet had baby Nick toen al ergens in Arnhem ondergebracht. Moeder Marie had met de Meeboers afgesproken dat als zij en haar man de oorlog niet overleefden, de kinderen samen bij hen moesten opgroeien. Mia: „Morgen krijg je er een broertje bij, hoorde ik op zekere dag na de bevrijding. Leuk, dacht ik, kan ik met de kinderwagen lopen. Ik was dan ook hoogst verbaasd een jongetje te zien binnenlopen, met aan een touwtje een speelgoedhondje op houten wieltjes. Ik was vijf, wat wist ik van zwangerschappen en baby’s?”
Mia en Hans’ pleegouders voeden de kinderen op. Later kregen ze problemen over de voogdij met de overgebleven Joodse familie. Er kwam een rechtszaak, die de Meeboers uiteindelijk wonnen. Mede door die rechtszaak onderhielden de Meeboers geen contact met hun Joodse familie, behalve met hun toeziend voogd, de zwager van Mia en Hans’ oma. „Daar gingen we zondags vaak op bezoek. Kregen we krentenbrood met een dikke laag boter, heerlijk.” zei Mia. ‘Opa Logger’, zoals ze hem noemden, ontstak in woede toen hij hoorde dat Hans en Mia, vlak voor ze meerderjarig waren, de naam Meeboer zouden aannemen. „Je verloochent je ouders,” zei hij. Mia: „Wij zagen er geen kwaad in, iedereen noemde ons toch al Meeboer.”
In 1992 ging Mia zich verdiepen in haar afkomst, mede door de conferentie voor oorlogsweeskinderen, waar ze haar verhaal kwijt kon bij lotgenoten ‘die echt luisterden’. Ze spoorde Joodse familieleden op, die haar echter bijna niets konden vertellen over het leven van hun ouders vóór de oorlog. En ze besloot haar naam weer te veranderen in Premseler. Ze deed dat echter pas in 2002, nadat haar beide adoptieouders waren overleden. Hans behield de naam waarmee hij opgroeide.
Mia, over het gemis van hun ouders: „Ik ben er emotioneel onder, jij houdt het meer op een afstand.” „Ik heb het weggedrukt,” beaamt Hans met een glimlach. Het was ook in 1992 dat een lotgenoot haar de advertentie in het NIW gaf van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen. Mia: „Het deed me goed te merken dat iemand namens ons informatie had gezocht.”

Bekijk hier het filmpje van Mia’s tweede verjaardag:

1 Reactie

  1. In de foto’s van Annemie Wolff uit 1943 die in NIW al eerder aan de orde zijn gekomen, zit een foto van een meisje met een donkere krullenbol. Staat op fotorolletje nummer 43 (genomen in mei 1943) waar 4 volwassenen op staan en 1 kind. Er staan 3 namen in het bijbehorende kasboek, namelijk Rijke, Jonker en Meeboer. Het meisje lijkt me de kleine Mia te zijn die ook op dit filmpje te zien is. Kunt u mijn bericht aan Mia Meeboer doorsturen svp?
    Ik ben te bereiken op [email protected] en op 0620496906

    vriendelijke groet
    An Huitzing

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.