Toch extra Toezicht  

OLYMPUS DIGITAL CAMERAEindelijk lijkt de Nederlandse overheid de beveiliging van Joodse gebouwen serieus te nemen. Maar de maatregelen na de aanslag in Brussel zijn tijdelijk en de vraag wie er opdraait voor de kosten blijft in de lucht hangen. ‘Nederland mag niet de zwakste schakel van Europa worden.’ 

Auteur: Ariane Kleijwegt

Vanaf het Mr. Visserplein overziet een observatiepost van politie het Joods Historisch Museum. Achter het geblindeerde glas van de container op palen zitten twee politieagenten, hun politiewagen staat enkele meters verderop geparkeerd. Een soortgelijke situatie is er bij het Anne Frankhuis. Ze staan er pas sinds een week. En dat terwijl de schietpartij in het Joods museum in Brussel, waarbij uiteindelijk vier mensen omkwamen, alweer even geleden plaats had; op 24 mei. De dag erop hield de politie extra toezicht vanuit een busje, maar de stad zag toen geen noodzaak voor extra beveiliging. Nu ligt er een advies van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding. ‘Aanvullende’ beveiligingsmaatregelen zijn toch noodzakelijk, hoewel van tijdelijke aard. Concrete informatie dat een aanslag op handen zou zijn, is er niet en ook het dreigingsniveau is niet verhoogd.

Motief
Wat er dan wel veranderd is? Het motief van de schutter in Brussel is bekend. Daags nadat duidelijk werd dat het om een Syriëganger ging werden de containers geplaatst en rijden politiewagens nu op gezette tijden langs sjoeldiensten en andere religieuze bijeenkomsten. Het feit dat de dader in Frankrijk al langer gevolgd werd door de autoriteiten maar desondanks zijn gang kon gaan in Brussel is een ‘wake-upcall’ gebleken voor politici in binnen- en buitenland. „We weten nu dat deze jihadistische beweging geen grenzen kent,” zei minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken afgelopen zondag in Buitenhof. „Daar moeten we ons echt zorgen over maken.” Nederland heeft honderd Syriëgangers uit Nederland in het vizier, maar heeft een minder goed beeld van wat er elders in Europa gebeurt. De ministers van Justitie van negen landen beloofden elkaar daarom vorige week donderdag in Luxemburg dat de informatie- uitwisseling over teruggekeerde jihadisten uit Syrië beter moet. Ook willen deze negen landen, waaronder Nederland en België, een actieplan opstellen om te voorkomen dat jongeren radicaliseren en naar Syrië trekken om te vechten. Begin juli komen Nederland, België, Frankrijk, Italië, Duitsland, Spanje, Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk weer bijeen om het actieplan te bespreken en concrete afspraken te maken Ondertussen wordt in eigen land met Joodse organisaties overlegd over aard en omvang van de extra veiligheidsmaatregelen. Dat gebeurt op landelijk niveau. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, Dick Schoof, nodigde vorige week vertegenwoordigers van Joodse organisaties uit in Den Haag. Tot tevredenheid van directeur Esther Voet van het CIDI. „Schoof begrijpt dat er onrust is in de Joodse gemeenschap en hij neemt die onrust serieus.” Ook voorzitter Dennis Mok van Bij Leven en Welzijn, de beveiligingsorganisatie van de Joodse gemeenschap, is blij met het overleg. “Het lijkt erop dat de landelijke overheid eindelijk bereid is meer te doen aan beveiliging en naar ons wil luisteren.”

Voorstelbaarheid
Volgens Mok is de methodiek verouderd waarop de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding zijn risicoanalyse baseert. „Die gaat alleen uit van concrete informatie en niet van de voorstelbaarheid van een aanslag.” Bij Leven en Welzijn komt binnenkort met een eerste eigen openbare risicoanalyse waarin veel meer vanuit het daderperspectief geredeneerd wordt. „Je wacht niet tot de dader zich komt melden, maar probeert te beredeneren waar je als dader het gemakkelijkst de meeste schade toe kunt brengen.” Een woordvoerder van het ministerie van Justitie spreekt tegen dat de risicoanalyse van de Nationaal Coördinator te weinig rekening houdt met de voorstelbaarheid van een aanslag. „Het dreigingsniveau was al aanzienlijk. Nu weten we ook waar het vandaan komt. Door het incident in Brussel achten wij de kans nu groter dat het iemand van buiten is. De voorstelbaarheid is omhooggegaan. En dus staan er nu observatieposten bij de belangrijkste risicolocaties, zoals het Anne Frankhuis en het Joods Historisch Museum en bij Joodse scholen. Mok verwacht binnen een paar weken van elk Joods object een inventarisatie of en hoe het niveau van de veiligheidsmaatregelen omhoog kan. Dat geldt ook voor gebouwen en instellingen buiten Amsterdam, benadrukt hij. Zijn inzet is om de tijdelijke maatregelen een meer permanent karakter te geven. „Daar gaan we nog een keer over in gesprek.” Maar de Joodse organisaties vinden ook dat de overheid moet bijdragen in de kosten die de Joodse gemeenschap nu zelf al kwijt is aan beveiliging. De extra inspanningen van de politie komen hier bovenop, en staan dus los van wat de Joodse gemeenschap doet om ‘haar weerbaarheid en veiligheid te vergroten’, benadrukte burgemeester Eberhard van der Laan in een brief aan de Amsterdamse gemeenteraad.

Zware last
Die beveiligingskosten zijn na de aanslag op een Joodse school in Toulouse in 2012 verder opgelopen tot inmiddels jaarlijks 1 miljoen euro. Ze vormen een steeds zwaardere last om te dragen voor een relatief kleine gemeenschap, meent Ron van der Wieken, vicevoorzitter van het Centraal Joods Overleg. De organisaties wijzen naar voorbeelden in het buitenland, zoals Denemarken, waar de Joodse gemeenschap jaarlijks 2 miljoen Deense kronen ontvangt (circa 270.000 euro) om de eigen beveiliging te regelen. Maar de verschillen tussen landen zijn groot. Zo wordt in Frankrijk de beveiliging van Joodse instellingen vrijwel volledig gefinancierd uit de rendementen op een fonds ‘ter herinnering aan de Sjoa’. Dit fonds van 20 miljoen euro bestaat uit de banktegoeden van Joden die zijn vermoord tijdens de Sjoa en die de Franse overheid en Franse financiële instellingen in 2000 besloten terug te geven aan de gemeenschap. Directe overheidsbijdragen voor de beveiliging van de Joodse gemeenschap, zoals in Denemarken, zijn ook elders in Europa bepaald niet vanzelfsprekend. Lena Posner-Korosi, voorzitter van de koepel van Joodse organisaties in Zweden, kreeg de Zweedse autoriteiten niet zover om het Deense voorbeeld te volgen. „Ze willen geen parallelle politiemacht creëren. Bovendien rijst meteen de vraag waarom wij wel en andere religieuze minderheden niet.” Ook in Zweden is het gapend gat tussen de inschatting van de risicodreiging door de autoriteiten en die van de Joodse gemeenschap zelf constant onderwerp van discussie. Toch kreeg Posner-Korosi anderhalf jaar geleden, na een toename van antisemitische incidenten in Malmö – ‘en veel zeuren’ – eenmalig 4 miljoen Zweedse kronen (circa 440.000 euro) van de Zweedse autoriteiten. Voor extra hekken en camera’s rond de gebouwen.

Brusselse ambtenaren
Dat is de Nederlandse gemeenschap tot nog toe alleen op gemeentelijk niveau in Amsterdam gelukt. Hier schonken het stadsdeel Zuid en de centrale stad de gemeenschap beide eenmalig 125.000 euro. Sinds 2010 bestaat er jaarlijkse een structurele bijdrage van het stadsdeel van 135.000 euro. Maar stadsdeelvoorzitter Sebastiaan Capel (D66) vindt dat die kosten eigenlijk voor rekening van de rijksoverheid zouden moeten komen. De extra politie-inzet waartoe de overheid in Nederland na de aanslag in Brussel uiteindelijk wel besloot, bleef in Stockholm dan weer uit. Daarom richt Posner-Korosi haar pijlen nu op Brusselse ambtenaren. Ze is ook bestuurder van het Europees Joods Congres, de koepel van Joodse organisaties in de Europese hoofdstad. Daar wordt nu bekeken hoe de Europese Unie te bewegen is Joodse instellingen verspreid over Europa gelijkelijk te compenseren in de kosten van beveiliging. Ook voorzitter Dennis Mok van Bij Leven en Welzijn ziet die noodzaak. „Als duizenden teruggekeerde Syriëgangers zich nu vrijelijk door Europa kunnen bewegen, moet je voorkomen dat Nederland de zwakste schakel wordt. In Frankrijk is het beveiligingsniveau na ‘Toulouse’ al omhooggegaan, België is nu aan het opschalen. Dan móét je wel meegaan.” Toch zijn de lobbyinspanningen van de Joodse organisaties in Nederland nog vooral op Den Haag gericht. Volgens minister Plasterk heeft de samenwerking binnen Europa nu de prioriteit van de inlichtingendiensten. Maar extra geld komt er niet voor beschikbaar. „We volgen het met argusogen,” zegt Esther Voet. „Brussel heeft nu net laten zien dat de samenwerking niet goed functioneert. De tijd zal leren of het beter kan.” Voet spant zich daarom nu liever in voor een Kamermeerderheid om Den Haag te bewegen bij te dragen in de kosten van de eigen beveiliging. Of het momentum ernaar is zal moeten blijken. De Tweede Kamer wil volgende week een spoedoverleg met minister Opstelten van Justitie over de aangescherpte beveiligingsmaatregelen rondom Joodse gebouwen. Dat gebeurt op aanvraag van de ChristenUnie. Voorlopig houden de coalitiepartners zich op de vlakte. En de bezoekers van het Joods Historisch Museum? Voelen die zich intussen veiliger door de politieaanwezigheid? Asaf Feig, toerist uit Israël haalt zijn schouders op. „Het geeft mensen misschien een veiliger gevoel, maar een zelfmoordaanslag houd je er niet mee tegen. Veel werk moet van de inlichtingendiensten komen.”

1 Comment

  1. De bescherming tegen aanslagen van terroristen is een overheidstaak die gefinancierd moet worden uit de algemene middellen. Terrorisme is een internationaal fenomeen en moet dus in internationale samenwerking bestreden worden. De regeringsleiders van alle westerse landen moeten duidelijk uitspreken dat zij tegen terrorisme zullen optreden met alle middellen waarover zij beschikken. Nieuwe methoden en technieken moeten ontwikkeld worden. Persoonlijke waakzaamheid en weerbaarheid is geboden. Het kan je leven redden.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*