Terug naar Zwolle

Vanuit zijn ouderlijk huis zoekt Igor Cornelissen nog steeds naar Joodse communisten. Een aaneenschakeling van anekdotes.

Op de kleine tafel ligt, naast een schaaltje met chocolade pinda’s, het debuut van Gerard Kornelis van het Reve. De oude uitgave van De ondergang van de familie Boslowits is doorspekt met potloodaantekeningen. Langzaam pakt oud-Vrij Nederland-journalist Igor Cornelissen (77) het dunne boekje op. Hij schraapt zijn keel en leest de eerste zin voor: „Met de familie Boslowits kwam ik voor het eerst in aanraking op een kinderpartijtje, een kerstfeest bij kennissen.” Eventjes is hij stil. „Kan je zien dat die Boslowitsen geen orthodoxen waren, anders zouden ze nooit naar een kerstfeest zijn gegaan.” Het debuut van Reve, een waargebeurd verhaal over de ondergang van een Amsterdamse Joodse familie, heeft Cornelissen al een paar jaar in zijn greep. „In het hele boekje komen de woorden Jood, nazi of vervolging niet voor. Maar het naderende onheil gaat door merg en been. Ergens valt te lezen: ze halen de Invalide leeg. Dan weten jij en ik precies waar het over gaat.” Cornelissen ging op zoek naar de pater familias van het boek, de echte Hans Boslowits. Hij dook in de gemeentelijke geboorteregisters, duikelde foto’s op en speurde naar verre familie. „De man heette eigenlijk Alphons Bobrownitzki, een Joodse communist, en woonde in de Topaasstraat 5 in Amsterdam. Ik heb alles gereconstrueerd. Samen met een Zwolse vriend heb ik een 87-jarige stiefneef van hem gevonden in San Francisco. Die heeft ons weer gewezen op Rode Kruis-correspondentie over zijn oom. Tja, de man laat mij niet meer los.” Het is niet zo gek dat Cornelissen juist deze Bobrownitzki heeft uitgekozen. De oud-journalist is kenner van Joden in de communistische beweging; niet alleen in Nederland, maar ook in Amerika en de rest van Europa. Van kleine randfiguren tot grote voormannen, Cornelissen heeft er zijn levenswerk van gemaakt. „Je moet over alles iets weten, maar over één ding heel veel. Dat heb ik van Jaap Meijer geleerd, en die heeft het weer van Henri Polak.” Jaap Meijer komt veelvuldig ter sprake tijdens het interview. De historicus, expert op het terrein van de geschiedenis van de Nederlandse Joden en vader van Ischa Meijer was zijn leermeester. Als de journalist over Meijer spreekt is het vol bewondering, vol compassie.

Links Zwolle
De werkkamer van Cornelissen is een groot archief. Tweeduizend genummerde mappen, gevuld met krantenknipsel en noties, staan netjes achter elkaar in een grote kast. In een klein kaartenbakje zijn alle onderwerpen en personen gerangschikt. Op de bank liggen nog meer mappen, en boeken. Overal in de kamer zijn boeken te vinden. De naastgelegen ruimte, waar nu een bad staat, was vroeger zijn kinderkamer. Toen zijn moeder in 1976 overleed, besloot hij terug te gaan naar Zwolle, naar het huis waar hij opgroeide. „Met mijn toenmalige vriendin zochten we iets in de buurt van Amersfoort. Weet je, Amsterdam is niet goed voor mij. Er is te weinig groen, te weinig parken. En er zijn te veel kroegen, te veel afleiding. Dan zit ik dagen in het café te ouwehoeren en kom ik nooit meer aan schrijven toe.”

Lees verder in NIW 23