Stap over het ongemak heen

In het NIW van 2 november besprak Anet Bleich het met de Libris Geschiedenisprijs bekroonde boek ‘Wij weten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Auteur Bart van der Boom reageert.

Auteur: Bart van der Boom


Anet Bleich begint haar recensie over mijn boek zeer lovend, eindigt zeer boos en laat ondertussen een cruciaal onderdeel van het betoog weg. Lovend is zij over de reconstructie van de stemming onder de Nederlandse bevolking: niet grijs, maar fel anti-Duits en gekant tegen de Jodenvervolging. Ook toont ze zich overtuigd door de ‘grondig onderbouwde conclusie’ dat men niet wist wat er met de gedeporteerde Joden in het Oosten gebeurde. Men veronderstelde weliswaar dat de Duitsers de Joden wilden ‘uitroeien’ en ‘vernietigen’ – die termen vielen geregeld – maar dacht dat dit gebeurde door werk, ondervoeding, ziekte en verwaarlozing. Of, zoals Bleich instemmend citeert: „De tijdgenoten – de Nederlandse tijdgenoten althans – maakten uit de berichten die hun ter ore kwamen wel op dat de Duitsers de intentie hadden de Joden uit te roeien, maar niet de manier waarop dat gebeurde.”

Maar dan ontsteekt Bleich in grote woede omdat ik denk dat deze onwetendheid ertoe doet; dat de slachtoffers en de omstanders eerder in verzet waren gekomen als men wél had geweten van Auschwitz en Sobibor. Ze noemt dat ‘ongeloofwaardig’, ‘onverantwoordelijk’ en zelfs ‘goedpraterij’: „Uit Van der Booms eigen naspeuringen blijkt dat men genoeg wist om te begrijpen dat de nazi’s de Joden kapot wilden maken. Dat besef leefde in brede kring, toch werd er vaak niet gehandeld. Die pijnlijke tegenstelling wegpoetsen, omdat alles vast anders was gegaan als men maar zeker had geweten hoe de Joden werden afgeslacht, is simplistisch en demagogisch.”

Onoverzichtelijke keuze
Deze bijna morele diskwalifi catie van mijn betoog is verrassend omdat Bleich volledig voorbijgaat aan de achterliggende argumentatie. Inderdaad leefde in brede kringen het besef ‘dat de nazi’s de Joden kapot wilden maken’. Maar dat ‘kapotmaken’, dacht men, zou geruime tijd duren. Zo goed als niemand wist dat de meeste gedeporteerden bij aankomst werden gedood. Ongetwijfeld zou het ‘daar’ zwaar zijn, maar een half jaar of een jaar hield je het er waarschijnlijk wel uit. En dan, zo geloofde men, waren de Duitsers allang verslagen.

Men wist dus niet ‘genoeg’, niet genoeg althans om adequaat te kunnen handelen. Sommigen dachten dat verzet geboden was. Velen meenden dat het verstandiger was om gehoorzaam te blijven. De Duitsers lieten er immers geen twijfel over bestaan dat onderduikers en hun helpers zwaar gestraft zouden worden. En sinds 1941 wist iedereen wat dat betekende: een ellendige en snelle dood in Mauthausen.

Joden stonden dus voor een bijzonder onoverzichtelijke keuze: onderduiken en hopen dat je niet tegen de lamp liep, of gaan en hopen dat je het tot het einde van de oorlog wel zou uitzingen. Het gevolg was dat vele Joden die wel konden onderduiken dat niet of pas na langdurige aarzeling deden. Als zij hadden geweten van Auschwitz hadden zij echt anders gehandeld. In hoeverre dat ook voor niet-Joden geldt is moeilijker vast te stellen. Maar als een Jood het aanbod van onderduik kon afwijzen omdat hij een half jaar ontbering in Polen niet vond opwegen tegen de gevaren van verzet – en dat is vele malen gebeurd – dan kon een niet-Jood op dezelfde gronden een vraag om onderduik afwijzen. Niet uit onverschilligheid, lafheid of antisemitisme, maar uit een verkeerde inschatting van de risico’s. Het feit dat veel slachtoffers onderduik roekeloos vonden, zou ons milder moeten stemmen over de omstanders die die inschatting deelden.

Goedpraterij
Dat die verkeerde inschatting ook bij de medeplichtigen een rol speelde, bewijst de Joodse Raad. Natuurlijk handelden Asscher en Cohen uit verschillende motieven, waaronder minder fraaie, maar het lijdt geen twijfel dat zij medewerking zagen als het kleinste kwaad. Terwijl beiden zich in veiligheid hadden kunnen brengen, stapten zij zelf uiteindelijk ook op die trein. Die bracht hen weliswaar naar Bergen-Belsen en Theresienstadt, waar ze zouden overleven, maar dat konden ze van tevoren onmogelijk weten. Ook toen het aankwam op hun eigen hachje geloofden ze in de logica van erger voorkomen. Dat hadden ze niet gedaan als ze hadden geweten dat er geen erger was.

Alle uitspraken over wat er zou zijn gebeurd als men had geweten van de gaskamers zijn speculatief, natuurlijk. En wie een somberder mensbeeld heeft dan ik, trekt wellicht andere conclusies. Maar is deze redenering demagogisch? Simplistisch? Onverantwoordelijk? Goedpraterij? Ik begrijp dat mijn interpretatie ongemak wekt, omdat ze de schuldvraag compliceert. Maar wie wil begrijpen wat er is gebeurd moet over dat ongemak heen stappen, taboes negeren en de discussie op argumenten voeren.

Lees hier de recensie van Anet Bleich.