Slachtoffer van Oostenrijkse vendetta

Een gevangenisstraf van drie jaar onvoorwaardelijk hangt de Oostenrijkse publicist Stephan Templ boven het hoofd wegens het foutief invullen van een formulier voor teruggave van geroofd onroerend goed van zijn voorouders. Hij ziet het als een wraakactie voor zijn nimmer aflatende kritiek op het Oostenrijkse getreuzel met restitutie van geroofd Joods bezit. 

Architectuurhistoricus Stephan Templ (53) maakte geen vrienden in Oostenrijk toen hij in 2001 in samenwerking met zijn partner Tina Walzer het boek Unser Wien, Arisierung auf österreichisch het l icht deed z ien. In deze als wandelgids verpakte schandaalkroniek verzamelden Templ en Walzer 350 gevallen van geroofd Joods onroerend goed in de Oostenrijkse hoofdstad dat nooit aan de rechtmatige eigenaren of hun erven was teruggegeven. Het boek bood een ontluisterend beeld van een land dat nooit in het reine is gekomen met het eigen naziverleden. Invloedrijke kranten als de Duitse Die Zeit prezen het boek als een belangrijke bijdrage aan het oplossen van misdaden van het nationaal-socialisme, maar elders kwam het hem op rancune te staan. Boulevardblad Kronen Zeitung beschuldigde de Joodse Templ ervan een campagne tegen Oostenrijk te voeren. Niemand had toen kunnen vermoeden dat Templ dertien jaar later zou worden bedreigd met drie jaar gevangenisstraf vanwege ongerechtvaardigde verrijking ten koste van de Oostenrijkse staat. Ook in hoger beroep werd Templ verleden maand tot drie jaar onvoorwaardelijk veroordeeld door een Weense rechtbank. De beschuldiging luidde fraude bij de restitutie van een kapitaal pand in de Weense binnenstad, dat in 1938 van de Templs familie werd geroofd. „Ik ben slachtoffer geworden van een vendetta,” verklaart Templ in gesprek met het NIW. De affaire draait om de restitutie van het voormalige Sanatorium Fürth aan de Schmidgasse. In deze wereldvermaarde kliniek genoot Sigmund Freud zijn medische opleiding, en tal van telgen uit de Rothschild-dynastie zagen hier het levenslicht. In maart 1938 vond de Anschluss plaats: Oostenrijk trad toe tot het Derde Rijk. Oostenrijkse nazi’s dwongen eigenaar Lothar Fürth en zijn echtgenote de stoep voor hun kliniek met tandenborstels schoon te poetsen. Fürth verdroeg de vernederingen niet, samen met zijn vrouw pleegde hij in de kliniek zelfmoord in april 1938. Het pand kwam in bezit van de nazi’s. 

Kwaad bloed 

Aangezien er geen directe erven voor handen waren, viel het pand na de oorlog toe aan de Oostenrijkse staat. Het officiële standpunt was dat Oostenrijk zelf ook als slachtoffer van het Derde Rijk moest worden gezien. Restitutie stond laag op het prioriteitenlijstje. Uiteindelijk nam het Amerikaanse consulaat intrek in het stadspaleis. Verhuurder was de Oostenrijkse staat. In 2001, na grote druk vanuit de VS, ging Oostenrijk schoorvoetend over tot teruggave van indertijd geariseerd bezit. De zoektocht naar de rechthebbenden van het pand aan de Schmidgasse begon. De Weense genealoog Herbert Gruber lokaliseerde aan de hand van stamboomonderzoek in totaal 38 rechthebbende partijen. In ruil voor een fors percentage van de toekomstige opbrengsten van het pand stemden de erven ermee in dat de Hoerner Bank, met wie Gruber samenwerkte, hun claims op Sanatorium Fürth verzorgde. Aangezien Templ zelf ook verwant is aan Lothar Fürth – Fürth was een neef van zijn grootmoeder – besloot hij zijn 80-jarige moeder Helena aan te melden als gegadigde voor de Fürth-erfenis. „Wij waren de enigen die zich zonder bemiddeling van Gruber en de Hoerner Bank hadden aangemeld en misschien zette dat kwaad bloed,” denkt hij nu. Templ liet bij het invullen van het restitutieformulier na te melden dat hij nog een hoogbejaarde tante in Praag – een 84-jarige zuster van zijn moeder – had. „Het gaat om een tante met wie we al sinds tientallen jaren geen contact meer hadden. Mijn moeder en haar zus zaten tijdens de Holocaust samen ondergedoken in een hut in Slowakije, maar kregen later ruzie omdat mijn moeder met mijn vader trouwde, die niet Joods was. Tussen hen werd al het contact verbroken. Ik voelde me daarom niet geroepen om zaken voor mijn tante te regelen en vermeldde haar naam niet op het formulier.” Deze omissie zou hem duur komen te staan. Templ haalde zich de woede van de Hoerner Bank op de hals door als enige van de erven Fürth niet in te gaan op een miljoenenbod van een Oekraïense investeringsmaatschappij op het pand aan de Schmidgasse. De bank was des duivels en genealoog Huber toog aan het werk om Templ na te pluizen. Hij stuitte op de niet vermelde tante en stelde haar op de hoogte dat zij recht had gehad op 550.000 euro als ze op tijd haar claim had ingediend. De tante probeerde haar claim bij de Oostenrijkse overheid alsnog te verzilveren, maar kreeg te horen dat de termijn verstreken was. Inmiddels hadden Templ en zijn moeder 1,1 miljoen euro verdiend aan de restitutie van hun deel van het pand. Daarop besloot het Oostenrijkse Openbaar Ministerie Templ te vervolgen wegens ongerechtvaardigde verrijking.

Verontwaardiging

Templ: „De redenatie was dat als mijn tante wel als erfgenaam van de Fürths was erkend, maar van de erfenis had afgezien, de Oostenrijkse staat haar deel van 550.000 euro zou hebben opgestreken. Dat was puur hypothetisch, want mijn tante liet duidelijk weten dat ze het compensatiebedrag zeker zou hebben opgeëist. Niettemin was het reden om mij aan te klagen. De rechter veroordeelde me tot drie jaar onvoorwaardelijk en dat vonnis werd onlangs bekrachtigd in hoger beroep. Ontlastende getuigenissen liet de rechter niet toe. Het proces mondde uit in een kafkaeske nachtmerrie. In Oostenrijk staan mij nu geen rechtsmiddelen open, ik kon alleen nog maar vragen om strafvermindering. Daarnaast ben ik van plan mij te wenden tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, mijn laatste beroepsmogelijkheid.” De veroordeling van Templ leidde tot verontwaardiging. Stewart E. Eizenstat, een hoge Amerikaanse ambtenaar die in de jaren 90 de onderhandelingen met Oostenrijk voerde over restitutie van gestolen Joods bezit, meent dat het niet tot de plicht van een aanvrager behoort om andere erven te vinden’. Ook krijgt Templ steun van Eva Blimlinger, het gewezen hoofd van de Österreichische Historikerkommission, het officiële staatsorgaan dat zich inzet voor restitutie. Zij stelt dat de publicist klem is komen te zitten in de raderen van de Oostenrijkse rechtbanken. De bekende Joodse journalist Karl Pfeifer, oud-redacteur van Die Gemeinde, het blad van de Joodse gemeenschap in Wenen, laat in een reactie weten de veroordeling van Templ te zien als een wraakactie. Pfeifer: „Antisemitisme is niet strafbaar in Oostenrijk, en dat maakt kennelijk dat het nog altijd een grote aantrekkingskracht uitoefent hier.” Pfeifer ziet overeenkomsten tussen Templs veroordeling en de juridische problemen die hijzelf enige jaren geleden had in Oostenrijk, toen hij vergeefs had geprobeerd schadevergoeding af te dwingen nadat hij slachtoffer was geworden van een antisemitische hetze door een extreem-rechts blad. Pfeifer: „Ik kreeg mijn recht pas na vier jaar toen ik mij tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens had gewend. In Oostenrijk heerst nog een klimaat van angst als het om deze zaken gaat. Het feit dat er nauwelijks een woord aan de zaak van Templ wordt besteed in de Oostenrijkse media is veelzeggend.” De Oostenrijkse staat houdt tot dusver onverkort vast aan de schuld van Templ. „De Oostenrijkse republiek werd in juridische zin schade toegebracht,” aldus perswoordvoerder Martin Weiss van het Oostenrijkse ministerie van Buitenlandse Zaken in een ingezonden brief aan de Neue Zürcher Zeitung op vrijdag 4 april jongstleden. „Want op grond van het vastgestelde bedrog van de beklaagde, heeft de republiek zijn moeder een twee keer zo hoge vergoeding uitgekeerd dan waarop zij recht zou hebben gehad.”

Hoop 

Binnenkort hoopt Templ te horen of zijn verzoek tot reductie van de straf wordt gehonoreerd. Hij heeft een schoon strafblad, dus daar ligt enige hoop. „In geval dat mijn straf toch voltrokken wordt, wijk ik uit naar Praag. Ik heb behalve de Oostenrijkse ook de Tsjechische nationaliteit en hopelijk leveren de Tsjechen mij niet uit op grond van zo’n onterechte veroordeling. Het ergste vind ik wel dat mijn hoogbejaarde moeder wordt bestookt met dreigementen van de Oostenrijkse justitie en schadeclaims van advocatenkantoren. Dat is te veel voor iemand die als overlevende van de Holocaust zwaar getraumatiseerd is.”

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*