Idealiste in de Stopera

Simone Kukenheim_Horus fotografieDe samenleving polariseerde de afgelopen maanden. Er is grote reden tot zorg maar uiteindelijk is er geen andere weg dan de dialoog, vindt de nieuwe wethouder Onderwijs in Amsterdam, Simone Kukenheim. Ooit richtte ze de jongerenafdeling van het CIDI op.  

Simone Kukenheim is een ras-Amsterdammer, uit Zoetermeer welteverstaan. Dat klinkt paradoxaal, maar voor de 35-jarige wethouder is het heel normaal. Amsterdam is haar plek, de stad van haar grootouders en eerdere voorvaderen. Maar omdat haar vader een baan kreeg op het ministerie van Onderwijs verhuisde de familie Kukenheim al voor haar geboorte van de hoofdstad naar Zuid-Holland. „Als kind vond ik het jammer dat ik niet in Amsterdam geboren was. Toen ik als wethouder geïnstalleerd werd, maakte ik de grap dat ik mijn fout heb goedgemaakt doordat alle drie mijn kinderen in Amsterdam zijn geboren,” vertelt Kukenheim op haar kamer in de Stopera, die uitziet over de stad. Sinds juni van dit jaar is de D66-politica wethouder met de portefeuille onderwijs, jeugdzorg en diversiteit. Ooit zou ze actrice worden, maar na een jaar op de Toneelschool in Maastricht wilde ze toch meer dan alleen op de bühne staan. Ze verhuisde naar Amsterdam en schreef zich in voor de studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. In dezelfde periode begon ze zich steeds meer te verdiepen in haar Joodse achtergrond. Kukenheim raakte betrokken bij de Joodse gemeenschap en in 2002, tijdens de Tweede Intifada, richtte zij de jongerentak van het CIDI op. Haar politieke carrière begon in 2005 toen zij senior-beleidsmedewerker werd van de D66-fractie in de Tweede Kamer. Vijf jaar later maakte ze de overstap naar het Amsterdamse stadsdeel Zuid, waar zij zich als lid van het dagelijks bestuur bezighield met onderwijs. „Het was bijzonder om terug te komen in het stadsdeel van mijn familie. Mijn vader ging bijvoorbeeld naar de Anne Frankschool. Aangezien ik een vrij unieke achternaam heb, maken mensen al snel de link met mijn familie. Dat is heel leuk om mee te maken.”

Hoe was het om als Joods meisje op te groeien in Zoetermeer?
Het jodendom had een vanzelfsprekende rol in mijn jeugd. Mijn ouders waren seculier en op school kwam ik er nauwelijks mee in aanraking. Ik heb geen Hebreeuwse of Joodse les gehad; dat vind ik overigens nog steeds jammer. We gingen weleens naar sjoel voor een Joodse feestdag of naar een bar of bat mitswa. Toch waren er wel degelijk Joodse elementen in ons dagelijks leven. Maar als kind heb je dat niet echt door. Pas later merk je dat het helemaal niet gewoon is om bijvoorbeeld op zaterdagochtend te ontbijten met lekkere dingen. Toen ik naar Amsterdam ging, ben ik echt actief op zoek gegaan naar mijn Joodse identiteit. Ik ging regelmatig naar de LJG en wilde onderzoeken hoe andere jongeren van mijn leeftijd hun jodendom beleefden.

Welke plek heeft religie in je leven?
Ik ben nu niet heel religieus, maar wat ik mooi vind, is dat je op zoek gaat naar manieren om duiding te geven aan de belangrijke momenten in het leven. De Joodse traditie geeft dat. Om een voorbeeld te geven: vanuit onze traditie eten wij geen varkensvlees. Ik vind het belangrijk om goed na te denken over datgene wat je eet. Je moet niet van alles klakkeloos naar binnen schuiven. Dat komt dus mooi samen. En ik zie daar een meerwaarde in.

Was het voor jou, mede vanuit je seculiere achtergrond, een grote stap om je te verdiepen in de religie?
Nee, het was voor mij heel logisch. Het is niet zo dat ik pas op mijn 18e Joods werd. Ik vond het mooi om meer te weten over het jodendom. Daarnaast wilde ik iets naast de vaak verdrietige connotatie met het jodendom. Ook om aan mijn kinderen door te geven. De traditie is zo rijk: het intellectuele, de methodiek en de discussie.

Krijgen jouw kinderen nu dan wel een Joodse opvoeding?
Ik heb geen Joodse partner, maar ik voed ze op vanuit mijn achtergrond. Ze krijgen alle tradities mee, maar wat ze ermee doen, dat is aan hen.

In een eerder interview vertelde je dat je de Toneelschool in Maastricht verliet omdat er bommen op Belgrado vielen. Dat klink heel idealistisch…
Maar dat ben ik ook. Toen ik op de toneelschool zat, voelde ik me echt zo. Ik dacht echt: de wereld staat in brand en ik sta hier lekker te balletten. Hoe leg ik dat straks uit aan mijn kinderen? Ik ben heel idealistisch. Dat is mijn grote drijfveer.

Was de oprichting van de jongerentak van het CIDI ook een idealistische daad?
Misschien. Toen we het CiJo oprichtten, zaten we midden in de Tweede Intifada. In Amsterdam en op de universiteit leefde dat enorm. Er waren veel demonstraties in de stad, en daarbij stak ook veel antisemitisme de kop op. Nu wordt er veel meer op gelet, maar tien jaar geleden was het net zo erg. Wat je toen vooral zag is dat in de generatie boven mij nog steeds de discussie uit de jaren 70 leefde. Zij voelden een sterke verbondenheid met Israël, terwijl bij jongeren Israël in een heel ander daglicht stond. De discussie was totaal anders. Wij, als Joodse jongeren, werden door anderen direct aangesproken op wat er gebeurde in Israël. Wat zijn jullie daar aan het doen? Waarom zijn jullie Palestijnen aan het vermoorden? Dat was voor ons de reden om het CiJo op te richten. Als wij worden aangesproken, dan willen we ook wat terugzeggen. Wij zochten een kanaal om ons geluid te laten horen, een heel divers geluid overigens.
Bovendien was er in die tijd de grote discussie rondom minderheden in Nederland, de multiculturele samenleving. En wij vonden dat wij deel uit moesten maken van die discussie, omdat wij als Joden ook een minderheid zijn. We wilden laten zien hoe wij daarmee omgingen. Want er is en was veel onbekendheid over hoe Joden leven in Nederland. We wilden met anderen in gesprek gaan en heel actief dialogen met moslims opzetten.

Lees de rest van het interview in NIW 1

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*