Ritueel

Het is een woord dat diverse malen terugkomt in NIW 39. Dayan Evers heeft het over het eeuwenoude challake-ritueel dat – geheel tegen de huidige tijdsgeest in – kortgeleden zijn intrede deed in ons land en uiteraard konden we ook de rituele slacht niet negeren. Het heeft voor velen een negatieve connotatie: rituele dans, rituele slacht, rituele moord, en zo kennen we er nog een paar. Van de rituele dans rond de slacht hebben we deze week in ieder geval meer dan voldoende gezien. Een vooringenomen Tweede Kamer, die de geloofsgemeenschappen tijdens een rondetafelgesprek een inspannende rituele dans liet uitvoeren en er daarna zelf lustig ritueel op los danste en daarmee langs het randje, wellicht zelfs over het randje van de grondwet-afgrond walste. Het ritueel is in deze geseculariseerde samenleving een ondergeschoven kindje geworden en ook het woord spiritueel roept bij velen aversie op; ze krijgen visioenen van mensen met voetjes van de vloer die in ‘het hogere’ vluchten om in het hier en nu maar geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen voor hun eigen daden en de consequenties die daaraan onherroepelijk zijn verbonden.
Ik ben een voorstander van het ritueel. Niks voetjes van de vloer, nada zweverig. Een ritueel staat juist voor een handeling die in opperste concentratie moet worden verricht, met volle aandacht. Is die concentratie er niet, dan gaat het om niet meer dan een gewoonte, om iets van alledag; een vrijwel gedachteloze actie. Juist de concentratie, vaak vergezeld gaand van het historisch en/of spiritueel besef, maakt het zo krachtig. Psychologen zijn het er inmiddels over eens dat de mens rituelen nodig heeft, het beantwoordt aan een belangrijke behoefte: verdieping, zingeving en iets loszetten in de tijd. Om een voorbeeld te noemen: wie van u als lezer van het NIW kent niet de kracht van het ritueel van het ontsteken van de kaarsen op sjabbat, waarmee de rustdag wordt vrijgezet van de waan van de week?
Ook bij de kosjere rituele slacht gaat het om die concentratie. Het doden van een dier, nooit een pretje, wordt met de grootst mogelijke zorg begeleid. En zo hoort het ook. Ieder mens hoort oog te hebben voor de rechten van het dier. Dat is inderdaad een teken van beschaving. Maar daarin zijn grenzen aan te brengen; een dier blijft wel een dier. De vermenselijking van dieren vind ik een vorm van decadentie. Zie de wufte rijkeluisdametjes die niet weten wat ze met hun geld moeten doen en tonnen uitgeven aan hondjes-outfits voor een beestje dat ze hun ‘baby’ noemen, terwijl – ja, cliché – miljoenen honger lijden. Zie de fabeltjes over die decadente Nero, die zijn paard tot senator benoemde, en dan hebben we het nog niet over wat Catharina de Grote met haar paarden zou hebben uitgespookt.
Terug van de decadente uitspattingen naar dat andere uiterste: het ritueel. Nee, ik ga niet zeggen dat de Joodse rituele slacht beter is dan de reguliere slacht. Wel ben ik ervan overtuigd dat een sjocheet zich veel bewuster is van waar hij tijdens de slacht mee bezig is dan de medewerkers aan een lopende band in elk willekeurig abattoir, waarvan – laten we elkaar geen mietje noemen – we weten dat daar weinig respect voor het leven of de dood heerst. Ik weet het, het is zeer gechargeerd, maar met het sluiten van de ogen voor het respect voor het dier waarvan deze eeuwenoude Joodse traditie uitgaat, zou je bijna kunnen spreken van een rituele moord op de rituele slacht.