Reflex

Door Esther Porcelijn

Ik zit bij een vriendin aan de keukentafel bij te kletsen. Mijn zoontje Abel zit bij mij op schoot en probeert zijn rammelaar met twee handen beet te pakken. Mijn vriendin wil over een tijdje op vakantie met een groepje vrienden en zoekt een geschikte bestemming. Vrij snel stel ik Israël voor, dat heeft namelijk nogal wat cultuur, zon, zee en strand. De vriendin kijkt me bedenkelijk aan en verzucht een lange nee. Veel te gevaarlijk!

Op dat moment begint er iets kleins in mijn onderbuik te knagen. Dit gesprek heb ik eerder gevoerd. Ik weet hoe het zal lopen en eigenlijk moet ik het hierbij laten. Het kleine knagende knaagt zich een weg naar boven, door mijn buik, langs mijn longen als ik mijn adem nog inhoud om vervolgens op het achterste van mijn tong te gaan zitten wachten tot ik niet langer op mijn tong bijt, mijn mond open, en toch maar zeg: “Israël is helemaal niet gevaarlijk hoor!”

Waarom zeg ik dit? Wie wil ik overtuigen? Wat zal het me?! De vriendin begint over een negatief reisadvies en code oranje. Ik zeg dat die code alleen voor hele specifieke gebieden geldt en ook van toepassing is in bijvoorbeeld Thailand, Maleisië, Mexico en India en dat toch niemand een heel relaas over veiligheid begint als je van plan bent door Thailand te backpacken. Nee, dat is vooral avontuurlijk. En je kunt toch ook naar Eilat, helemaal in het zuiden? Is een brave familiebestemming.

Tijdens dit gesprek probeer ik te achterhalen waarom ik erop inga. Ondertussen moet ik toch hebben geleerd dat mensen hun mening niet snel bijstellen en met sommige landen nu eenmaal niet veel hebben.

Ansichtkaart
Dan besef ik: Israël is als een familielid van me. Ik mag haar uitlachen, gênant vinden, negeren en plagen, maar een ander mag dat niet. Tegen anderen kan ik klagen over hoe irritant ik haar vind, moreel problematisch zelfs en heel vaak een aanstelster, maar anderen moeten oppassen. Het is een gevoel dat ik amper kan negeren, zoiets als een muggenbult midden op je rug waar je net niet bij kan.

Een reflex in me zorgt ervoor dat ik het moet opnemen voor iets waarvan ik tegelijk vind dat ik er helemaal niets mee te maken heb. Ik kom er niet vandaan, ik wil er helemaal niet wonen en ik ben er al een paar jaar niet geweest.

Toch moet ik het land op de vreemdste momenten verdedigen en reageer ik haast zonder dat ik er erg in heb. Alsof ik het iemand verschuldigd ben, maar wie? Misschien wel alle Joden die er niet meer zijn door onjuiste en onrechtvaardige ideeën. Als ik toch maar één onrechtvaardig idee de wereld uit kan helpen. De Joden hebben zichzelf telkens, ondanks alles, over de eeuwen heen getild en ik zal hetzelfde moeten doen.

Mijn vriendin is niet overtuigd door mijn relaas en ik laat het erbij. Onze voorstelling van verre landen blijkt nog altijd een soort jaren-negentig-ansichtkaart, met aan de ene kant witte stranden met palmbomen en aan de andere kant stenengooiende jongetjes.

Dan, als we afscheid willen nemen, schuif ik mijn stoel naar achteren om op te staan. Ik heb het verwarmingsrooster op de grond niet gezien. Ineens kantelt de wereld en ik voel mezelf met stoel en al achterover vallen. De rammelaar raakt de grond – Abel! Automatisch krom ik mijn rug, anticiperend op de knal, en met een zwiep til ik Abel de lucht in. Mijn armen werken als een vering en hoewel ik hard neerkom merkt hij er amper wat van. Geschrokken kom ik overeind, knuffel Abel en kijk naar hem in mijn armen.

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*