Provocerende gesprekken

Je kunt mensen heel goed ‘de waarheid zeggen’ – om ze te helpen, anders heeft het geen zin. Dat is de aanpak van Jeffrey Wijnberg, die een hekel heeft aan psychoblabla. 

Bij hem thuis in een rustige straat in Groningen, waar hij ook praktijk houdt, heeft psycholoog, psychotherapeut en schrijver van populairwetenschappelijke boeken Jeffrey Wijnberg een uurtje tijd voor me vrijgemaakt. Ik had hem op een filmpje gezien, een enkel boek en enkele columns van hem gelezen en hem leren kennen als iemand die bij zijn gesprekken met cliënten zijn fluwelen handschoenen meestal thuis liet. Hij liet hen niet in hun eigen ideologische sop gaar koken, maar pakte hun ideeën aan, het zelfbeeld dat hun manier van leven bepaalde. Psychologen weten dat een onrealistisch of defaitistisch wereldbeeld funest kan zijn voor iemands genezingskansen; wanneer iemands persoonlijke mythologie in stand blijft, verandert er in zijn of haar leven niets. Die uitgangspunten maakten me nieuwsgierig naar Wijnberg. Op zijn website vind je diverse van de columns die hij sinds 1996 voor De Telegraaf schrijft, waarin hij wijdverbreide ideeën op de korrel neemt. Hij schrijft prikkelende passages over ‘de natuurlijke dominantie van de vrouw’ en de Nederlandse mannen die ‘watjes’ zijn en zich naar de wensen van hun vrouw schikken. Hij gelooft dat de menselijke geest wel degelijk als een ‘apparaat te bedienen’ is; middels zelfdiscipline, het langzaam leren om onszelf te focussen, kunnen we leren om ‘overbodige of negatieve gedachten’ uit te zetten. We moeten voortdurend onze eigen mythes blijven onderzoeken, dat leren we van mensen als Wijnberg. We neigen er bijvoorbeeld toe om de eigenschap eerlijkheid een grote waarde toe te dichten, maar Wijnberg weet dat zo net nog niet. In een recente column schrijft hij: ‘In mijn spreekkamer wordt dikwijls de vraag gesteld: “Moet ik niet emotioneel eerlijk zijn en mijn partner gewoon vertellen hoe vaak ik over andere relaties fantaseer en dat ik mij daar ook zo schuldig over voel?” Mijn antwoord is tweeledig: 1) zeg alles wat u denkt als u de verhouding om zeep wilt helpen (…) 2) nee, niks zeggen als de relatie u lief is; u kunt de ander niet gebruiken om uw geweten te sussen. Emotionele eerlijkheid is ook de reden waarom ruzies zo gierend uit de hand kunnen lopen. Onder het motto ‘ik maak van mijn hart geen moordkuil’ worden uitspraken gedaan (“zoals je nu kijkt ben je net je moeder”) die zo krenkend zijn dat het vrijwel ondoenlijk is om de ander op een later tijdstip te ontkrenken.’ Wijnberg vindt dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken, maar mensen kunnen die directheid niet zomaar op elkaar gaan toepassen: dat zijn doorgaans niet meer dan afrekeningen, het uitleven van rancuneuze sentimenten. Om dat in goede banen te leiden en de juiste hoeveelheid risico’s te nemen zijn therapeuten nodig.

Man en paard
Jeffrey Robert Wijnberg werd geboren in Madison, Wisconsin, in 1951, in een Nederlands gezin met twee broers en een oudere zus. Vrijwel de hele familie van zijn vader werd in Auschwitz vermoord. Eind jaren 30 kwam hij in New York zijn latere vrouw tegen, die wel met haar familie had kunnen vluchten. „Mijn vader kwam in 1940, als 18-jarige, bij de Amerikaanse OSS, de inlichtingendienst tijdens de oorlog, waarvoor hij speciale missies uitvoerde. Hij maakte de bevrijding van Oostenrijk mee, in Innsbruck. Na de oorlog wilde hij niet terug naar Nederland. Hij was getraumatiseerd, Nederland was in zijn ogen schuldig omdat het te weinig had gedaan om de Joden te redden. Maar veel praten erover deed hij niet, ik ontdekte pas later op een indirecte manier hoezeer alles hem heeft aangegrepen.” Uiteindelijk ging Wijnberg senior toch naar Nederland; hij werd, na een tussenstation in Leiden, gevraagd als hoogleraar Organische Chemie in Groningen. Jeffrey was acht toen hij naar Europa verhuisde, maar zijn betrekkingen met de Verenigde Staten zijn intensief gebleven. „De familie van mijn moeder woont er nog, we gingen er vaak naartoe met vakantie. We hadden altijd dat dubbele: als er in Nederland iets misging zei mijn vader altijd, ‘ach, het is hier ook tien keer niks, we gaan weer naar Amerika’.” Wijnberg ging naar het Praedinius Gymnasium in Groningen (de bètakant) en verbleef daarna twee jaar in de Verenigde Staten, waar hij werd aangenomen op de beste hotelschool, die van Cornell University, maar hij moest nog wel een jaar wachten. In de tussentijd kon hij terecht op het Conservatorium van het Oberlin College in Ohio, gecombineerd met een studie in de Liberal Arts. „Dat was, na Juilliard, het hoogst aangeschreven Conservatorium in de Verenigde Staten. Maar na een tijdje kreeg ik door dat ik wel kon meekomen, maar geen topklasse was.”

Psychologie
Tijdens zijn tweede jaar in Ohio raakte Wijnberg gefascineerd door de psychologie. Hij woonde colleges bij van John Thompson over ‘abnormale psychologie’. Hij kwam dan binnen in zijn witte jas, rechtstreeks uit de kliniek, en zei: ‘I have a very interesting case,’ en begon te vertellen over wat hij net had gezien. „Dat inspireerde me enorm. Ik wilde ook zo iemand zijn. Terug in Nederland, in 1972, ging ik psychologie studeren, wat voor mijn vader teleurstellend was, dat was toch geen wetenschap? Ik volgde tijdens mijn studie een stage en mijn professor gaf me na afloop een enorm compliment: ik was de beste stagiair die men daar in jaren had gehad. ‘Je bent top’, zei hij. Dat was de eerste keer dat iemand ooit had gezegd dat ik ergens in excelleerde. Ik kreeg in de gaten dat ik iets heel goed kon. Ik werd daarna een fanatieke psychotherapeut. Ik heb geluk gehad dat ik mensen tegenkwam die in me geloofden.”

Lees verder in NIW 24