Professioneel en in functie

Leemhuis, Koning Willem Alexander en Koninging Maxima tijdens de Nationale Dodenherdenking herdenking op de Dam©Nationaal Comité 4 en 5 mei/ Ilvy Njiokiktjien
©Nationaal Comité 4 en 5 mei/ Ilvy Njiokiktjien
©Nationaal Comité 4 en 5 mei

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei was de afgelopen jaren onderwerp van soms hoogoplopend discussies. Door alles en iedereen te betrekken bij de herdenking wordt 4 mei betekenisloos, zo klinkt niet in de laatste plaats vanuit Joodse hoek. Comité-voorzitter Joan Leemhuis-Stout reageert op de kritiek en schetst haar eigen drijfveren. „U heeft het steeds over de geschiedenis. Ik wil zo graag met het comité naar voren.”

Op 4 mei, tijdens de Dodenherdenking op de Dam, wandelt de voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei – voor het oog der natie – in de nabijheid van de koning en koningin vanuit de Nieuwe Kerk door een erecouloir van militairen en veteranen naar het monument op de Dam. Het is een nationale erefunctie, die sinds 2009 door Joan Leemhuis-Stout (Hoogezand, 1946) wordt vervuld. „Ik ben gevraagd voor deze functie,” verduidelijkt ze aan het begin van het gesprek in het kantoor van het comité aan de Amsterdamse Nieuwe Prinsengracht. „Het is niet zo dat je een innerlijke drive hebt en vervolgens aan de bel trekt omdat je graag voorzitter van het Nationaal Comité wilt worden. Toen het me werd gevraagd, heb ik er vanzelfsprekend even over nagedacht. Past dat in de dagen die ik beschikbaar heb? Omdat je het combineert met andere dingen. Als je het aanvaardt betekent dit dat je verantwoordelijkheid neemt.” Leemhuis liet er een belangrijke toezichtfunctie voor vallen. De tijdsbesteding hangt af van de tijd van het jaar, gemiddeld tien uur per week. De in Groningen geboren Leemhuis heeft een lange carrière in het openbaar bestuur achter de rug. Op haar 37e werd ze de eerste vrouwelijke dijkgraaf van Nederland bij het Hoogheemraadschap van Schieland. Ze vervulde uiteenlopende functies, vooral op het gebied van waterstaat, veiligheid en zorg. In 1994 werd ze als VVD-er commissaris van de koningin in Zuid-Holland. In 1999 trad ze noodgedwongen af vanwege de Ceteco-affaire; door riskant bankieren was de Provincie onzorgvuldig omgegaan met provinciale financiën. „Weliswaar had ik geen schuld, maar ik voelde me wel verantwoordelijk,” zei Leemhuis er eerder over in het Reformatorisch Dagblad. Daarna vervulde Leemhuis diverse nieuwe bestuurlijke functies, onder andere voorzitter van de Raad van Toezicht van natuurwetenschappelijk onderzoeksinstituut TNO.

Hand aan de ploeg
Welke affiniteit heeft zijzelf met de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog? „Ik ben van direct na de oorlog en ben opgegroeid in een gezin waarin heel erg de stijl was: wij zijn medeverantwoordelijk voor de wederopbouw. Wij hebben onze bijdrage geleverd waar dat nodig was tussen 1940 en 1945. Daar kijken we niet op terug. Dat is gebeurd. Aan ons de plicht en ook de verantwoordelijkheid om te proberen te voorkomen dat het weer gebeurt.” Wat bedoelt u met: we kijken er niet op terug? „Nou, je kan ook omgaan met een verleden en daarin, even huiselijk geformuleerd, blijven hangen en daar alsmaar mee tobben. Nou, bij ons thuis ging dat anders. Daar was het de hand aan de ploeg. Daar waren we niet uniek in, laat dat gezegd zijn.” Wat voor rol hebben uw ouders gespeeld tijdens de oorlog? „Ik ben daarover altijd heel terughoudend, want het is niet mijn verdienste. Mijn vader heeft in het verzet gezeten, maar dat deel ik mee, zeg ik altijd. Want je weet niet wat je zelf had gedaan onder die omstandigheden.” Wat bedoelt u als u zegt dat uw ouders niet ‘bleven hangen’? Leemhuis: „Dat klinkt zo negatief, maar zo bedoel ik het niet. Ik kon zo snel niet een synoniem vinden. Waar het mij om gaat is dat de ene mens klaarblijkelijk door zijn persoonlijkheid, zijn karakter, in staat is er een positieve wending aan te geven. Sommigen kunnen dat niet en zijn daar tot op de dag van vandaag door ontregeld. Niet voor niets hebben we nog steeds Centrum 40-45,” zegt Leemhuis, met verwijzing naar de kliniek voor oorlogsslachtoffers.

Memorandum 

Met het voorzitterschap van het comité is Leemhuis een belangrijke speler in discussies over de Dodenherdenking op 4 mei. Diverse maatschappelijke organisaties sloegen onlangs de handen ineen en formuleerden een gezamenlijke verklaring naar het Nationaal Comité. Onder hen het Cairo-overleg waarin Joodse kerkgenootschappen, de Raad van Kerken en het Contactorgaan Moslims en Overheid zich hebben verenigd. Maar ook het CIDI, het Auschwitz-Comité, de Vereniging voor Sinti en Roma en het Veteranenplatform. De verklaring heeft betrekking op het memorandum van het comité dat vastlegt wie en wat wordt herdacht op 4 mei: Nederlandse burgers en militairen die in het koninkrijk en elders in de wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties. In het kader van het opstellen van nieuw beleid – de huidige beleidsperiode loopt af in 2015 – wordt ook het memorandum opnieuw bekeken. De verklaring van de betrokken organisaties bepleit om in de memorandumtekst ‘Joden, Sinti en Roma als slachtoffers van de genocide expliciet te noemen’ en om concreet vast te leggen dat alleen slachtoffers en geen daders worden herdacht. Verder staat in de verklaring: slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog worden herdacht en ook degenen die vielen tijdens oorlogen sinds 1945, waarmee de nadruk op het eerste komt te liggen. In antwoord schreef Leemhuis op 16 april aan de organisaties dat ze hun verklaring beschouwt als ‘een belangrijk en serieus signaal’. Afsluitend wijst ze er in haar brief nadrukkelijk op dat alleen slachtoffers en geen daders worden herdacht tijdens de herdenking op de Dam. „De vooronderstelling in de toegezonden verklaring leek te zijn dat er wel daders herdacht worden en dat is niet zo. Dat was niet zo, dat is niet zo en dat zal het ook niet worden,” licht Leemhuis de afsluitende passage toe, die leest als een kleine reprimande richting de ondertekenaars van de verklaring.

Vergissing 

Het punt over daders en slachtoffers in de verklaring komt echter niet uit de lucht vallen. In 2012 protesteerden onder anderen het CIDI en het Auschwitzcomité tegen het besluit om een 15-jarige scholier een gedicht te laten voorlezen op de Dam. Het gedicht ging over een oudoom die zich aansloot bij de Waffen-SS. Het comité wilde het programma speciaal aanpassen waardoor het mogelijk was om in plaats van een, twee gedichten te laten voordragen. Na veel overleg en onder grote druk, naar verluidt van onder andere de Amsterdamse burgemeester Van der Laan, trok het comité het gedicht terug. In een persverklaring ‘ betreurde’ het comité ‘dat een integer gedicht van een jongere speelbal wordt in een discussie van volwassenen’. Verder werd benadrukt dat de terugtrekking niets afdoet aan de waardering van het comité voor het gedicht. Directeur Nine Nooter van het comité concludeerde dat het CIDI het gedicht ‘niet goed heeft gelezen en niet goed heeft begrepen’. Als Leemhuis zo nadrukkelijk aangeeft geen daders te willen herdenken, waarom wilde het comité dit gedicht dan laten voordragen en hield het daar zo lang aan vast? „Weet u, laten we het erop houden dat wij daar een vergissing hebben gemaakt, dat we daar ook publiekelijk afstand van hebben genomen en dit soort vergissingen niet meer maken. Ik wil de discussie niet opnieuw voeren. We zijn nu in 2014 en over een paar dagen is het weer 4 en 5 mei. Het dient vanuit het comité geen doel daar anders over te spreken dan ik nu doe. We hebben ons vergist en afstand genomen.” Het is nu aan twee interne werkgroepen van het comité om te komen tot een conceptvisie op de nieuwe beleidsperiode en als onderdeel daarvan het memorandum, schetst Leemhuis. Een van de opties is om naast slachtoffers ook gebeurtenissen centraal te stellen in het memorandum. „De gebeurtenis Holocaust is van een heel andere orde door de gedachte die erachter zit: systematisch mensen vermoorden. Dat is heel wat anders dan een traditionele oorlog. Je kan het ook hebben over gebeurtenissen in het memorandum.” Of dit wellicht in de plaats komt van het noemen van specifieke groepen slachtoffers, wil Leemhuis niet zeggen. Naar verwachting is de conceptvisie deze zomer gereed, waarna deze met betrokken partijen zoals het Cairo-overleg en organisaties van oorlogsgetroffenen wordt besproken. Op geen van de punten in de verklaring wil de voorzitter inhoudelijk ingaan.

Verkenningsbijeenkomsten 

Een ander terugkerend issue waar historici, opiniemakers en belangenorganisaties al jarenlang kritiek op uiten is wat Telegraaf-columniste Nausicaa Marbe recentelijk de ‘hutspotherdenking’ noemde. Alles en iedereen wordt herdacht op 4 mei en verbonden met zeer algemeen geformuleerde thema’s, waardoor de herdenking betekenisloos zou worden. Slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog worden in een adem herdacht met soldaten die bijvoorbeeld vochten in koloniale oorlogen in Indonesië. Wat vindt Leemhuis van de suggestie om de herdenking in te richten zoals dat in Frankrijk gebeurt? Daar is er een herdenking uitsluitend voor slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog en eentje uitsluitend voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Leemhuis: „De herdenking op 4 mei zal altijd de Tweede Wereldoorlog als referentiepunt houden. In 1961 is er bijgekomen dat ook militairen worden herdacht die zijn omgekomen bij oorlogssituaties. Dat is toen zo besloten door het kabinet en dat is zo gebleven tot nu. Voor het kabinet was toen van belang dat vredesoperaties een nadrukkelijke samenhang hebben met de Tweede Wereldoorlog. Wij zijn bevrijd door mensen die van heinde en verre zijn gekomen, en daarna werden door de Nederlandse regering Nederlandse militairen ingezet ten behoeve van andere landen. Zo is dat toen besloten.” Maar wat vindt u van de stelling dat de herdenking meer betekenisvol wordt als je specifiek en uitsluitend de Tweede Wereldoorlog herdenkt, zoals in Frankrijk? „Daar ben ik het mee eens, noch oneens,” zegt Leemhuis die opnieuw verwijst naar het besluit in 1961 en daar vervolgens met lichte irritatie aan toevoegt: „Gaan we het ook nog hebben over 5 mei? U heeft het steeds over de geschiedenis. Ik wil zo graag met het comité naar voren. Ik snap wel dat u deze vragen graag aan de orde stelt, maar we doen als Nationaal Comité daarnaast ook een heleboel.” Leemhuis vertelt even later dat ze met tevredenheid terugkijkt op de vier verkenningsbijeenkomsten die in maart werden gehouden. Tijdens die bijeenkomsten werd ‘de samenleving’ uitgenodigd om ‘mee te denken over de toekomst van herdenken en vieren’ en kwamen historici, schrijvers, kunstenaars, wetenschappers, opiniemakers en journalisten aan het woord. Vertegenwoordigers van de organisaties die de verklaring ondertekenden werden bewust niet als spreker uitgenodigd. „Daar zijn we al mee in gesprek of gaan we mee in gesprek.” Volgens Leemhuis toonden de meeste deelnemers aan de bijeenkomsten zich tevreden over de plek die de Tweede Wereldoorlog nu inneemt tijdens de herdenking. „Er waren wel nuances hier en daar, maar het algemene gevoelen was: dat element zit wel goed. Veel meer kanttekeningen werden er gemaakt bij de 5 mei-viering met bevrijdingsfestivals. Zie je nog wel kans om bij festivals een boodschap over te brengen? Zowel jong als oud vroeg zich dat af. Dat is iets dat mee zal worden genomen door onze werkgroep Vieren.”

Lokale herdenkingen 

De afgelopen jaren zorgden ook lokale herdenkingen voor flinke ophef. Zoals in 2012 bij het plan van het gemeentebestuur van de Gelderse gemeente Bronckhorst om bij de Dodenherdenking in Vorden langs de graven van gesneuvelde Duitse soldaten te lopen. In een kort geding verbood de rechter de vertegenwoordigers van de gemeente en het lokale comité om langs de graven te lopen. Van de vijfhonderd andere aanwezigen liep vrijwel iedereen wel langs de Duitse graven. Nadat in hoger beroep alsnog werd bepaald dat het verbod onterecht was, kondigde het gemeentebestuur in 2013 opnieuw hetzelfde plan aan. Na hernieuwd protest werd het plan weer ingetrokken. In het Brabantse Geffen werd het plan opgevat voor een oorlogsmonument met zowel namen van Joodse slachtoffers als van Duitse militairen. Het gemeentebestuur lichtte toe dat het monument ‘verzoening’ nastreeft, waarbij je open moet staan ‘voor alle overledenen in de oorlog’. Na protest uit Joodse hoek, kwamen uiteindelijk helemaal geen namen op het monument. Het Nationaal Comité heeft niet de verantwoordelijkheid om gemeentebesturen en lokale comités duidelijk te maken dat ze op 4 mei geen daders maar slachtoffers moeten herdenken, aldus Leemhuis „Dat is de eigen verantwoordelijkheid van een gemeente en een lokaal comité, al dan niet gezamenlijk. Onze rol is vraagbaak zijn, van advies dienen als ze dat willen. Er is geen formele relatie tussen lokale comités en ons. Die is er gewoon niet.” Wel wordt in een vorig jaar uitgebrachte ‘handreiking voor gemeenten’ zaken als het vlagprotocol en de uitgangspunten en verantwoordelijkheden van het comité beschreven, vertelt Leemhuis. Er wordt niets opgelegd. Wat doet het comité nu als een gemeente belt met de vraag of ze een herdenking als in Vorden kunnen organiseren? „Dan zeggen we: vergewis je van het draagvlak in de gemeenschap en de gemeente en weeg dan heel erg goed af welke keuze je dan maakt.” Maar u zegt niet: geen daders, alleen slachtoffers? „Wij herhalen het standpunt van het Nationaal Comité dat leidt tot: weeg goed af wat je doet en kiest. We zeggen niet: je moet het wel of niet doen, want dat is onze positie niet.” Over het plan voor een monument met Joodse namen en namen van Duitse soldaten zegt Leemhuis: „Persoonlijk zou ik dat zo niet bedenken. Dat heeft te maken met het onderscheid tussen de traditionele oorlog en mensen die gewoon omgebracht zijn. Aan de andere kant ga ik ervan uit dat mensen die zoiets bedenken dat met goede intenties doen.”

Emoties 

Over persoonlijke zielenroerselen is ook in eerdere interviews met Leemhuis weinig te vinden. Op de vraag hoe ze zelf omgaat met de emoties, de hevige kritiek die rondom 4 mei in beeld komen, die soms ook persoonlijk op haar gericht zijn, reageert ze afgemeten: „Hoe ik daar persoonlijk mee omga is niet relevant.” Even later laat ze er iets meer over los: „Ik blijf professioneel en in functie op zo’n moment. Ik werk inmiddels 42 jaar. Het is niet de eerste keer dat er iets persoonlijks wordt gezegd. Dat is van alle tijden. Of het leuk is, is wat anders maar ik heb geleerd om daar toch tamelijk rustig onder te blijven,” zegt ze, om vervolgens een korte stilte te laten vallen. „De belangrijkste les die ik in mijn leven überhaupt heb geleerd is dat je goed naar mensen moet luisteren. Want achter een verhaal zit soms een ander verhaal. Je moet proberen te doorgronden wat mensen te berde brengen. Doen ze dat vanuit hun hart en dus met een positieve intentie, voelen ze zich ergens verantwoordelijkheid voor? Of is het boosheid om de boosheid? Gaat het om mensen die denken: ik ga maar eens een beetje dwars doen? Het mooiste is om door de emotie heen te kijken, die te kanaliseren doordat je luistert, waardoor je in ieder geval in gesprek met elkaar raakt.” Specifiek ook uit Joodse hoek werden felle emoties zichtbaar bij de discussie over het gedicht op de Dam en de Duitse graven in Vorden. Begrijpt ze die felle emoties? „Ja en nee, zeg ik daarop. Ik spreek natuurlijk met enige regelmaat mensen. Wat ik weleens opvallend vind is dat de oudere generatie, met name ook mensen uit de eerste generatie, een mildere toon heeft dan de jongere generatie. Daar heb ik weleens geprobeerd een verklaring voor te vinden. Zou het zo kunnen zijn, heb ik me afgevraagd, dat latere generaties een soort verantwoordelijkheidsgevoel hebben? Dat ze ervoor willen zorgen dat, als de oudste generatie helemaal uitgestorven is, het wel voort blijft leven als buitengewoon relevant en afkeurenswaardig item in onze geschiedenis? Zou daar die felheid uit voortkomen? Ik weet het niet,” zegt Leemhuis. „We realiseren ons dat, hoe groot het draagvlak ook zal zijn voor de uiteindelijke beslissing over het memorandum, er altijd groepen zullen zijn die het toch liever anders geformuleerd zien. Dat is nu eenmaal de werkelijkheid.”

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*