Over m’n vader

David de JongDavid de Jongh gaat in zijn nieuwe documentaire Photo-Eddy op zoek naar het mysterie dat zijn vader was. 

Al bij het stellen van de eerste vraag interrumpeert David de Jongh (46): „Wacht eventjes.” Hij loopt naar de boekenkast en haalt een opnameapparaatje tevoorschijn. „Ik laat even een extra bandje meelopen,” zegt hij, terwijl hij de recorder op de eettafel legt. Het is een tic die hij al zijn hele leven heeft. Alles moet vastgelegd, bewaard en verzameld worden. „Ik heb het van mijn vader. Dat bewaren is iets van de eerstegeneratieslachtoffers, een soort verlengde van de oorlog. Althans die associatie heb ik.”

De verzamelwoede valt ook op in zijn documentaire over Frans Bromet uit 2008. In die film is na enkele minuten een boodschap te horen die Bromet in 1993 achterliet op het antwoordapparaat van zijn toenmalige stagiair De Jongh. „Tussen 1990 en 2000 heb ik mijn antwoordapparaatberichten bewaard. Ik heb veertien uur aan materiaal liggen. Het is een fantastisch tijdsbeeld geworden. Niet alleen van de mensen die toen in mijn leven waren, maar ook van de techniek. Wie laat er nu nog een bericht achter op een antwoordapparaat?” Ook zijn nieuwe film, over zijn vader, de bekende fotograaf Eddy de Jongh (Amsterdam, 1920 – Den Haag, 2002), puilt uit van archiefmateriaal. Na documentaires over Otto Frank, Henriette Boas en Ischa Meijer, vond hij de tijd rijp voor een diepgravend onderzoek naar zijn eigen verleden. Vader Eddy de Jongh was jarenlang dé fotograaf van Vrij Nederland. Hij maakte portretten bij de interviewseries van Bibeb en maakte reportages over de Praagse Lente en de Anjerrevolutie in Portugal. Later ging hij voor het NOS-journaal aan de slag. Hij was een avonturier, een waaghals. Maar hij was ook een alcoholist en was maar liefst vijf keer getrouwd. „Ik had vaak het gevoel dat er iets mis was bij mijn vader, dat zijn verleden een soort vage en bedreigende brei was. Maar hij verwoordde het zelden,” zegt De Jongh. „De film gaat niet alleen over mijn vader, maar ook over mij. In feite is het een pure tweedegeneratiefilm. Het laat zien hoe belangrijk het is om de oorlogsverhalen van familieleden te weten te komen.”

Hoelang speelde je al met het idee om deze film te maken? 

Eigenlijk al heel lang. Mijn hele leven heb ik bijzondere verhalen gehoord over mijn vader. Het waren allemaal flarden, van zijn jeugd, de oorlog, zijn carrière. Maar het waren altijd wel spectaculaire flarden. Kort voor zijn dood, in 2002, ben ik zijn archief, dat opgeslagen lag in het Nederlands Fotomuseum, ingedoken. Ik wilde zijn werk digitaliseren; dat voelde als mijn taak. Het heeft me drie jaar gekost om alle 80.000 beelden te scannen. Ik kwam erachter dat hij zo veel bijzondere reportages had gemaakt; werk waarvan ik nooit iets af heb geweten. Tegelijkertijd ben ik in 2002 begonnen met de 80-plussers in zijn omgeving voor de camera vast te leggen. Wat wisten zij over Eddy en zijn verleden? Zo heb ik zijn eerste vrouw, die de oorlogsverhalen nog kende, kunnen interviewen. Ik heb die interviews toen gemaakt omdat ik het verhaal überhaupt wilde vastleggen, of er nou wel of geen film kwam.

Wat heb je over je vader geleerd? 

Ik begrijp nu veel beter waarom mijn vader zweeg, waarom hij dronk en waarom hij zoveel vrouwen versleet. Het is allemaal terug te leiden naar het verraad van zijn ouders in de oorlog. Zijn moeder zat ondergedoken bij een bakker in IJsselstein. Midden in de oorlog is Eddy haar op gaan zoeken, want hij had een slecht voorgevoel over die bakker. Hij had een vals persoonsbewijs voor haar geregeld en een nieuwe onderduikplek. Alles had hij gereedgemaakt, maar zijn moeder durfde niet weg te gaan. Een paar weken later werd ze opgepakt. Dit was waarschijnlijk het meest dramatische en traumatische moment halfzusje een oude vergeelde brief in zijn paperassen. Het bleek een afscheidsbrief van zijn moeder te zijn geweest, geschreven in de Weteringschans-gevangenis waar zij na haar verraad was opgesloten. Ze gaf hem een levensopdracht mee: ‘houd je moraal hoog’. ‘Ik heb een mooi leven gehad, hopelijk jij ook’. Dat was het laatste bericht van zijn moeder. Toen ik die brief zag, voelde ik het levensverdriet. Ook het alcoholgebruik van Eddy was verstrengeld met de oorlog. Eddy’s jongste dochter Nike ontdekte een patroon in zijn drinkgedrag. Zo dronk hij altijd op 23 april, de dag dat zijn vader werd vermoord in Sobibor.

Wat voor invloed heeft zijn oorlogstrauma op jou gehad? 

Het was heel moeilijk om op te groeien zonder die verhalen. Je wist dat er iets gruwelijks, iets zwarts was. Maar daar bleef het ook bij. Ik denk dat wij onbewust opgevoed zijn met het idee dat de wereld erg bedreigend is. Mij heeft het aangezet om documentaires te maken over mensen die de oorlog hebben overleefd. Ischa Meijer, Igor Cornelissen, Otto Frank, om er een paar te noemen. Ik ben heel erg op zoek naar antwoorden. Hoe zit de mens in elkaar? Hoe zijn wij tot zulke gruwelen in staat? Ik voel een innerlijke noodzaak om steeds weer die mensen van de eerste generatie te laten praten.

Wat is die innerlijke noodzaak? 

Ik zoek naar verklaringen, over het leven in zijn meest extreme vorm. Het voelt alsof ik het verhaal van mijn vader en zijn generatie op mijn rug moet nemen. Ik merk ook dat mijn woede niet weggaat. Het is een ingewikkeld soort woede. Toen ik werd geboren, woonden mijn ouders in de Biesboschstraat. Zestig meter van ons huis waren mijn grootouders opgepakt en weggevoerd. De hele Rivierenbuurt is voor mij als een oog van de storm van de Holocaust. Zoals Armando het mooi zei: een schuldig landschap. Dat maakt mijn woede los.

Heeft je vader jullie Joods opgevoed? 

Nee, niet echt. Hij geloofde in niks. Hij vertelde mij weleens het verhaal over hoe hij met bewondering naar zijn grootvader keek als die zijn gebedsriemen omdeed. Hij deed dan altijd het gekke huppeltje van opa na. Maar verder sprak mijn vader er niet over. Het enige Joodse in zijn doen en laten was het weigeren van varkensvlees, en die gigantisch doos Hollandia Matzes die we elk jaar thuis hadden. Ik wist dus eigenlijk niks van het jodendom, van de tradities en de cultuur. Maar ik voelde me op een of andere manier wel aangetrokken tot het jodendom. Ik voelde me heel erg half-Joods. Toen ik eind twintig was, ben ik een keer naar een kamp van de Joodse jongerenvereniging Moos! geweest. Nou dat voelde ook echt als een kamp. Ik was totaal niet op mijn plek, ik werd niet geaccepteerd. Als ik aan die verschrikkelijke lelijke Israëlische liedjes denk die daar werden gezongen, krijg ik het weer spaans benauwd. Ik heb er nog even aan gedacht om een vereniging voor half-Joden op te richten. Maar dat ging me ook weer te ver.

Hebben jouw broers en zussen ook die drang om op zoek te gaan naar hun Joodse roots? 

Nee, niet echt, behalve mijn jongste halfzusje. Ze vinden het wel prettig om de verhalen te horen, maar zelf willen ze er niet op zoek naar gaan. Hun manier om ermee om te gaan ligt meer in het heden. Mijn strategie is om de geschiedenis in te duiken.

Hoe kijk je nu naar jezelf, nu de film klaar is? Herken je iets van je vader in jezelf? 

Een kort lach. Ja, ik lijk erg op hem. Natuurlijk deelden we veel interesses: jazz, literatuur, film, kunst. En als ik weer eens alleen aan mezelf dacht, dan zei mijn moeder tegen me: ‘Je lijkt op je vader.’ Maar toen ik in Parijs was om scenes op te nemen, begreep ik echt hoe wij op elkaar leken. In het archief van Eddy was ik allemaal foto’s tegengekomen die hij had genomen vanaf de Eiffeltoren. Ik wilde filmen hoe hij – ondanks zijn hoogtevrees – die toren op was geklommen om mooie foto’s te maken. Ikzelf heb ook hoogtevrees, dus ik stond doodsangsten uit. Tot het moment dat ik mijn camera pakte, het was een verschil van dag en nacht. Nu begreep ik Eddy. Zonder camera voelen we ons al snel ongemakkelijk.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*