Opstandig volkje

Arthur Szyk, Bar Kochba (1927). Bron: The Arthur Szyk Society/Wikipedia
Arthur Szyk, Bar Kochba (1927). Bron: The Arthur Szyk Society/Wikipedia

Met Pesach vieren we de uittocht uit Egypte. Exodus verhaalt van een volk in opstand, het begin van een lange reeks Joodse revoltes. Ook in de diaspora liet de Leeuw van Juda regelmatig zijn tanden zien.

Egyptenaren, Assyriërs, Babyloniërs, Perzen, Grieken en Romeinen merkten het al: Joden geven zich niet zonder slag of stoot gewonnen. In het Chanoekanummer van het NIW ging het over de opstand tegen de Grieks-Seleucidische overheersers. Hier gaan we verder met de Romeinen en eindigen met een verrassende vorm van Joods verzet in de 17e eeuw.

Eerste Opstand, 66-73
Rond het jaar 63 v.g.j. veroverden de Romeinen het land Israël op de Hasmoneeën, de Joodse dynastie die het land had geregeerd na de succesvolle opstand in 167 v.g.j. tegen de Grieken. De Romeinen gingen zelf de hogepriester van de Tempel benoemen en legden de Joden hoge belastingen op. In 66 deed procurator Gessius Florius namens keizer Nero een greep uit de tempelkas. Die kas werd gevuld door Joden als bijdrage aan de instandhouding van de tempeldienst. Vervolgens ontheiligden Grieken de synagoge in Caesarea. Dat pikten de Joden niet. In Jeruzalem versloegen zij het Romeinse garnizoen en Romeinse troepen die te hulp kwamen. Generaal Vespasianus en zijn zoon Titus moesten er met tienduizenden legioensoldaten aan te pas komen om de opstand neer te slaan. Op 28-29 augustus 70 viel Jeruzalem en werd de Tempel verwoest, aanleiding voor de jaarlijkse treurdag Tisja Be’av. In 73 viel ook, na een lange belegering, het fort Massada aan de Dode Zee. Volgens de overlevering verkozen de Joden daar en masse zelfmoord boven overgave.

Guy Nelvand, Joden verdedigen Jeruzalem in de Eerste Opstand tegen de Romeinen . Beeld: Dr. Avishai Teicher/Wikipedia

Kitosoorlog, 115-117
De Kitosoorlog is vernoemd naar de Romeinse generaal Quintus Lucius Quietus, die de Joden onder rebellenleider en ‘koning’ Lukuas moest verslaan. Hun opstand vond plaats in Cyrenaica, Alexandrië, Mesopotamië en op Cyprus, dat zelfs een tijdlang in Joodse handen was. In Cyrenaica vernielden de rebellen Romeinse tempels en gebouwen als het Caesareum, de basilica en de thermae. Keizer Trajanus’ troepen slaagden er pas in de herfst van 117 in weer de overhand te krijgen. Maar helemaal bedwongen was de rebellie niet toen keizer Hadrianus in 118 aan de macht kwam. Generaal Marcius Turbo achterhaalde Lukuas uiteindelijk in Romeins Judea, waar hij werd geëxecuteerd. Quietus maakte met de inname van Lod, waar veel Joodse rebellen heen waren gevlucht, een definitief einde aan de opstand.

Bar Kochba, 132-136
Sjimon bar Kochba was leider van de Tweede Joodse Opstand in Judea. Met zijn guerillaleger wist hij vanuit Modi’in Judea weer enkele jaren onafhankelijk te maken. De verovering van fort Herodium, waardoor de Romeinse troepen in Jeruzalem afgesneden werden van hulptroepen, was een keerpunt in de strijd. Bar Kochba werd vorst van Israël en gaf eigen munten uit, er waren twaalf Romeinse legioenen nodig om hem te verslaan. Daarna veranderde keizer Hadrianus de naam van het land in Syria Palaestina en mochten Joden Jeruzalem niet meer in.

Bar Kochba werd vorst van Israël en gaf eigen munten uit, er waren twaalf Romeinse legioenen nodig om hem te verslaan

Munt van Bar Kochba. Beeld: Classical Numismatic Group/Wikipedia

Izaak van Diocaesarea, 351-352
In de vierde eeuw kwamen de Joden van Romeins Palestina opnieuw in opstand, ditmaal tegen het bewind van Constantius Gallus, onderkeizer van het oostelijke Romeinse Rijk en zwager van keizer Constantijn II. Constantijn II gaf net als zijn vader Constantijn de Grote de voorkeur aan het christendom. Hij gaf christenen toestemming de Joden te vervolgen, waarna opgehitste meutes tal van synagoges verwoestten. Onder Izaak van Diocesarea begonnen Joden in deze stad met een revolte die begon met een nachtelijke aanval op het Romeinse garnizoen, dat werd verwoest. Hierdoor kregen de Joden de nodige wapens in handen. In 352 werd de opstand neergeslagen door generaal Ursicinus.

Mar-Zutra, 495-502
Mar-Zutra II was leider van de omvangrijke Joodse gemeenschap in Babylon, in het huidge Irak. Hij kwam in opstand toen de Perzische koning Kavadh I Joden het recht ontzegde hun eigen milities te organiseren. Gebruikmakend van interne strubbelingen in het Perzische rijk stichtte hij een Joodse staat in Mahoza. Deze staat zou zeven jaar bestaan. In 502 werd hij verslagen door de koning en gekruisigd.

Antiochië, Tyrus en Akko, 610
Het Byzantijnse rijk vervolgde Joden inmiddels al enkele eeuwen. Een pogrom in Antiochië in 608 leidde tot een bloedige Joodse opstand in 610. Daarbij hielden de opstandelingen zich niet in en behandelden zij de christenen zoals zij zelf waren behandeld. Ze sleepten het lichaam van patriarch Anastasius de Sinaiet door de straten alvorens hem te doden. De Joodse strijders versloegen aanvankelijk het Byzantijnse leger. Hun opstand werd pas bedwongen nadat keizer Phocas versterkingen uit andere provincies had laten aanrukken. Er waren dat jaar ook Joodse opstanden in Tyrus en Akko.

Joods Jeruzalem, 614-617
De – voorlopig – laatste serieuze poging om de Joodse staat opnieuw te vestigen vond plaats in 614. De Perzisch-Sassanidische generaal Shahrbaraz veroverde in dat jaar Jeruzalem, samen met 20.000 man Joodse troepen – waarschijnlijk zo’n 10 procent van de Joodse bevolking daar destijds. De Joodse soldaten stonden onder leiding van Nehemia ben Hoesjiel en Benjamin van Tiberias en waren gerekruteerd uit Tiberias, Nazareth en Galilea. Na de Perzische verovering van Jeruzalem werd de stad overdragen aan Nehemia.
Drie jaar lang was Jeruzalem een autonome stad, bestuurd door Joden. Nehemia begon met voorbereidingen voor de bouw van de Derde Tempel. Intussen kwam er een provisorische synagoge op de Tempelberg. Historici denken dat daar weer rituele offers plaatsvonden. Archeologisch bewijs daarvoor werd in 2013 aangetroffen op 50 meter van de Tempelberg, in de vorm van Perzische munten en een 10 centimeter breed gouden medaillon uit de vroege 7e eeuw. Het medaillon, met afbeeldingen van een menora, een sjofar en een Torarol, was waarschijnlijk bestemd om aan een Torarol te hangen. Volgens archeoloog dr. Eilat Mazar van de Hebreeuwse Universiteit hadden Joden dit medaillon daar vermoedelijk naartoe gebracht na de Perzische inname van de stad.
Rabbi Elazer Kalir, een vroege Joodse dichter, schreef: “Toen Perzië naar de stad kwam waren de Joden opgelucht omdat hij de herbouw van de Tempel toestond, en ze bouwden daar hun heilige altaar, en offerden hun heilige offers, maar ze slaagden er niet in de Tempel te bouwen, omdat de Messias nog niet was gekomen.”
In 617 wisselde de Perzische koning Khosrau II de kleine Joodse minderheid echter in voor de christenen als bondgenoten. Nehemia en zijn ‘Raad van twaalf Rechtvaardigen’ waren al enkele maanden na de inname in 614 vermoord tijdens een kortdurende christelijke opstand. In 629 kreeg de Byzantijnse keizer Heraclius Jeruzalem terug van de Perzen. Benjamin van Tiberias gaf zich over. Daarna mochten Joden niet meer in Jeruzalem wonen en vond er, ondanks beloften van Heraclius, een slachting plaats onder de Joden van Jeruzalem en Galilea. De christelijke Kopten vasten daar uit boetedoening nog steeds ieder jaar voor. In 637 namen de Arabieren onder kalief Omar Jeruzalem in.

Middeleeuwen
Met de voltooiing van de kerstening van Europa in de 10e en 11e eeuw kwam het christelijk antisemitisme ook daar op. Joden mochten geen wapens meer dragen en konden zich dus, was de bedoeling, niet meer georganiseerd verweren. Maar hun vechtlust was er nog steeds, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de Joodse soldaten die voor Arabische én christelijke vorsten meevochten bij de strijd om Spanje (geen primeur trouwens, want Joden stonden in het Perzische rijk, bij de Visigoten en zelfs in het oude China al bekend als geduchte soldaten). Wapenverbod of niet, waar Joden de kans kregen, verdedigden zij zichzelf tegen de God wil het schreeuwende meutes die uit waren op Joods bloed. Daarbij zagen zij de helden- of martelaarsdood, geïnspireerd door de massa-zelfmoord op Massada, als uiting van Kidoesj Hasjeem, het heiligen van de naam van God.

Rabbijnen moesten het jodendom in de late Middeleeuwen regelmatig verdedigen in ‘disputaties’ met priesters. Dit gebeurde onder meer in Parijs en Barcelona. Beeld: Wikipedia

Late Middeleeuwen
Op 3 mei 1096 probeerde graaf Emich van Leisingen, een van de leiders van de Eerste Kruistocht, met duizenden soldaten de Joden van de Duitse stad Spiers af te slachten. De plaatselijke bisschop Johannes gaf de Joden toevlucht in het koninklijk paleis en kasteel, weliswaar na door hen te zijn verblijd met enkele kostbaarheden. De Joden verdedigden zich zodanig dat niet meer dan elf van hen het leven lieten.
In Worms eisten oproerkraaiers op 25 mei 1096 de overgave en gedwongen bekering van vierhonderd in het bisschopspaleis van Adelbert gevluchte Joden. In plaats daarvan doodden zij zichzelf. Onder de overlevenden was de jonge Solomon Hacohen, die zijn vader en zeven broers omgebracht zag worden. Hij wilde zich alleen door de bisschop zelf laten bekeren, zei hij. Hij werd naar de bisschopsvertrekken gebracht en doodde Adelberts neef, die daar toevallig was, met een messteek in de buik, en nam nog twee anderen met zich mee de dood in.
Diezelfde dag bereikte Emich Mainz. De 1500 Joden van deze stad betaalden aartsbisschop Ruthard en de burggraaf 200 zilvermark om zich in het bisschopspaleis en het kasteel te mogen verschansen. De burggraaf sloot de poorten van Mainz voor Emichs mannen, maar na een antisemitisch oproer openden de burgers die een dag later weer. Toen Emich op 27 mei aanviel, bewapenden zevenhonderd Joden zich onder leiding van rabbijn Kalonimos ben Bar Mesjoelam Haparnes op de binnenplaats van het bisschopspaleis. Ze traden hun talrijke aanvallers en een wisse dood tegemoet. Kalonimos en 53 andere Joden ontsnapten naar het huis van aartsisschop Ruthard in Rudesheim. Zij werden op 1 juni voor de keus gesteld: bekeren of overgeleverd worden aan Emich. De Joden kozen geen van beide. Kalonimos doodde zijn eigen zoon Jozef en werd zelf omgebracht toen hij zich op aartsbisschop Ruthard stortte.
Begin juni 1096 streden vijfhonderd jonge Joden bewapend met zwaarden mee om Praag te verdedigen tegen Volkmar, een andere leider van de Eerste Kruistocht. Zij kregen hulp van duizend soldaten, gestuurd door de Hongaarse koning Koloman. De Kruisvaarderslegers telden tienduizenden mannen maar deze slag om Praag werd gewonnen door Hongaren en Joden. De Joden verloren maar zes man.
De Joden van het Engelse York vochten op 16 maart 1190 vanuit het kasteel van deze stad tegen hun belagers. Toen die hulp kregen van de koning, die hen had moeten beschermen, verkozen zij massale zelfmoord.
Tussen 1315 en 1318 keerden boerenopstandelingen in Frankrijk zich tegen de Joden. Die zochten hun toevlucht in elke burcht die ze maar konden vinden. Een christelijke kroniekschrijver beschreef hoe zo’n vijfhonderd Joden in Verdun-sur-Garolle zich heroïsch verdedigden door stenen, houtblokken en zelfs hun eigen kinderen van een toren naar de aanvallers te gooien. Ook zij herhaalden het voorbeeld van Massada.

In Verdun-sur-Garolle verdedigden zo’n 500 Joden zich door stenen, houtblokken en zelfs hun eigen kinderen naar de aanvallers te gooien

Op 29 mei 1341 sloegen de amper tweehonderd Joden van Frankfurt-am-Main twee gewapende aanvallen af van een menigte christenen. Die hadden als excuus dat familieleden de bekering van een Jood hadden proberen te voorkomen.
Het aanvalsexcuus voor christenen in Mainz in 1349 was dat Joden de Zwarte Dood (de pest) hadden veroorzaakt. Zo’n driehonderd jonge Joden doodden tweehonderd aanvallers. Uiteindelijk pleegden zij allemaal zelfmoord. Dat laatste gebeurde dat jaar ook in Worms, Frankfurtam-Main en Oppenheim.
Op 7 mei 1355 viel een menigte de Joodse buurt Alcana bij de Judería (Joodse wijk) van Toledo in Spanje binnen, plunderde de warenhuizen en doodde 1200 mensen. Ridders van de koning en Joodse strijders voorkwamen dat ze de hele Judería onder de voet liepen.
Een paar honderd Joden verschansten zich in 1391 in een kasteel in Barcelona en weerden aanvallen van door monniken en priesters aangevoerde zeelieden, arbeiders en boeren af. Toen de belagers het kasteel in brand staken, doodden de meeste Joden zichzelf met hun eigen wapens of door zich van de kasteelmuren te werpen. De overlevenden werden afgeslacht.
In 1453 verjoegen enkele tientallen Joodse mannen, onder leiding van een zekere Gershom, hoofdinquisiteur Franciscaan Johannes van Capistrano en diens troepen uit de Duitse stad Fürth.

Nieuwe tijd
Joden en Polen sloegen in 1648 en de jaren daarna in steden als Bar, Chelm, Lvov en Tulchin zij aan zij aanvallen af van kozakken en boeren onder kozakkenleider en massamoordenaar Bogdan Chmelnitsky. Regelmatig werden deze Joden – zoals uiteindelijk in Tulchin gebeurde – verraden door hun niet-Joodse stadsgenoten. De kozakken beloofden de Polen namelijk nogal eens hen te sparen als zij de Joden aan hen uitleverden. Deze belofte werd niet altijd gehouden.
De Joden van Lvov staken In mei 1664 een stokje voor de jaarlijkse pogrom door leerlingen van christelijke scholen. Toen de studenten het Joodse getto naderden, dreven de Joden hen terug. De stadsmilitie die gestuurd was om de orde te herstellen, sloot zich aan bij de studenten die toen carte blanche hadden om Joden te vermoorden.
In Poznan verdedigden de Joden zich in 1687 drie dagen en nachten tegen een meute en achtervolgden die zelfs tot in de christelijke wijken. Het tij keerde toen de stadsmilitie ook hier partij koos voor de antisemieten.
In 1768 vielen opstandige kozakken veel steden aan in de Poolse Oekraïne om er Joden en Polen te doden. Dit gebeurde niet zonder verzet. In de stad Uman sloegen de Joodse verdedigers hun aanvallen af. Verraden door de Polen bleef een kleine groep gewapende Joden onder leiding van Leyb Sharogrodski en Moses Menaker weerstand bieden. Met dolken en messen doodden zij tientallen van hun aanvallers, tot de synagoge met kanonnen werd verwoest en de kozakken 20.000 Joden en Polen ombrachten.

Joodse piraten
Als reactie op vervolgingen door de Spaanse christelijke vorsten en de in 1478 opgerichte Spaanse Inquisitie vonden Joden een andere manier van verzet. Ze werden piraat en kaapten Spaanse en Portugese schepen. Hun schepen hadden namen als Profeet Samuel, Koningin Esther en Schild van Abraham. Verbannen uit Spanje en Portugal in 1492 opereerden ze vaak vanuit moslimlanden, die vriendelijker waren voor Joden. Zij deelden hun aanzienlijke kennis van navigatie met de moslims. Bekende Joodse piraten waren onder anderen Samuel Pallache en Sinan Reis. Reis werd door de Ottomaanse Turken ‘de Grote Jood’ genoemd omdat hij ze hielp zeeslagen te winnen, zoals de Slag bij Preveza tegen de Spanjaarden in 1538. Pallache, uitgeweken naar Marokko, was niet alleen piraat maar ook diplomaat. Op 23 juni 1608 sprak hij als gezant van de sultan met stadhouder Maurits van Oranje en de Staten-Generaal over een bondgenootschap tegen Spanje.
Een andere beroemde Joodse piraat was de Nederlands-sefardische Moses Cohen Henriques. Hij hielp Piet Hein bij het kapen van de Spaanse zilvervloot in 1628. Twee jaar later droeg hij met Joodse troepen bij aan de Nederlandse verovering – op Portugal – van Noordoost-Brazilië.

Jewish Pirates of the Caribbean, E. Kritzler (2008)

 

Het laatste deel in deze serie, over Joods verzet vanaf de 19e eeuw en de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël, verschijnt in NIW 26.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*