Opstandig volkje (2)

Joodse brandweer- en zelfverdedigingsorganisatie in tsaristisch Rusland. Foto Ghetto Fighters' House Museum Photo Archive
Joodse brandweer- en zelfverdedigingsorganisatie in tsaristisch Rusland. Foto: Ghetto Fighters’ House Museum Photo Archive

Op Jom Ha’atsmoet vieren we dat het Joodse volk op 14 mei 1948 opnieuw zijn onafhankelijkheid uitriep. De pasgeboren staat Israël nam de wapens op, zo kort na de strijd tegen pogroms en nazi’s.

Deze tweede en laatste aflevering over Joods heldendom bespreekt de strijd om lijfsbehoud in Rusland en nazi-Europa en de vrijheidsstrijd in Israël.

Tsaristisch Rusland
De Russische tsaren gebruikten hun geheime dienst, leger en politie om Joden tot zondebok te maken en te vervolgen. Dat leidde mooi af van binnenlandse spanningen. Honderden en honderden pogroms woedden er in Rusland, maar de Joden gaven zich niet zonder meer gewonnen. In april 1881 verjoeg een Joodse zelfverdedigingsorganisatie Russische bendes toen ze in Berditsjev uit de trein stapten. Ze werden gedwongen meteen de volgende trein de stad uit nemen. De Joden hadden de lokale politiechef omgekocht, opdat hij de aanvallers niet hielp.
Bij een pogrom (letterlijk van het Russische po, ‘na’, en grom, ‘de donder’) in Odessa in mei dat jaar werden 150 Joden gearresteerd die terugvochten met knuppels en ijzeren staven. De politie verzon als aanklacht dat ze vuurwapens droegen. In december was het raak in Warschau, toen Russisch. De schade werd echter beperkt tot de buurten waar Joden een minderheid waren. De wijken met een Joodse meerderheid werden met succes verdedigd door Joden, die hun aanvallers een pak slaag gaven.
De Joden in de stad Balta in Podolië (het huidige Oekraïne) versloegen op 29 maart 1883 hun belagers, die zich terugtrokken in een brandweerkazerne. Pas met behulp van de lokale politie en vijfduizend door de politie opgeroepen boeren overweldigde de meute de Joden, die tot op het laatst weerstand bleven bieden.
Op 29 augustus 1903 werd een groep pogrommers in de stad Gomel teruggeslagen door een grote Joodse zelfverdedigingsgroep. Het leger viel daarop de Joden aan met geweren en bajonetten, maar honderden andere Joden sloten zich bij het verzet aan met stokken en messen. Zij doorbraken meerdere malen de politiekordons die de menigte moesten beschermen. De autoriteiten besloten de pogrom diezelfde avond dan maar te stoppen, in plaats van het moorden en plunderen – zoals gewoonlijk – drie dagen lang te laten voortduren.
Joodse verdedigers waren hun belagers ook de baas tijdens een door de politie georganiseerde pogrom in de stad Zhitomir, op 23 april 1905. Toen ook het leger zich tegen de Joden keerde, stelden die de lokale gouverneur op 25 april een ultimatum. Naar verluidt stapte een man naar voren uit de menigte van honderd Joden die naar het gouverneurspaleis oprukte en zei: “Als je binnen een uur geen eind maakt aan het bloedbad in Zhitomir – en dat kun je door maar één woord te zeggen – dan beginnen we een algehele slachting. Rivieren van bloed zullen vloeien. We zullen alle christenen doden ongeacht hun leeftijd, geslacht of status, en jij zal de eerste zijn die ik hoogstpersoonlijk zal ombrengen.” De pogrom stopte onmiddellijk.

Ultimatum
Op 18 en 19 oktober 1905 sloegen honderd met revolvers bewapende Joden een pogrom op de Joodse wijk van Rostov aan de Don af. Een tweede groep aanvallers werd beschermd door tweeduizend man Russische troepen en stuitte eveneens op georganiseerd Joods verzet.
Tegelijkertijd was er een pogrom in Kiev, met behulp van onder andere een garnizoen van twintigduizend soldaten. Duizenden Joodse huizen en winkels werden vernield en geplunderd. Dat er niet meer dan 27 Joden omkwamen was te danken aan hun zelfverdedigingsorganisaties, in het leven geroepen door linkse zionisten. Groepen van tien Joden wisten steevast bendes van twee- tot driehonderd man te verslaan, totdat die hulp kregen van kozakken en soldaten. In Odessa, waar ook een pogrom woedde, ging het net zo.
Bij de door het leger georganiseerd pogrom in Jekaterinoslav op 21 oktober 1905 kwamen 67 Joden om, maar een hoger dodental werd voorkomen door een linkse Joodse zelfverdedigingsgroep van zeshonderd leden inclusief tien niet-Joden, een ongebonden Joodse zelfverdedigingsorganisatie en een arbeiderszelfverdedigingsorganisatie van driehonderd man, waarvan honderd Joods. Op 22 oktober beëindigden de autoriteiten in de Russisch-Oekraïense stad Akkerman een pogrom vanwege de weerstand van 180 Joodse en twintig niet-Joodse verzetsstrijders bewapend met twintig geweren en zeventig pistolen. Bijna overal in Rusland waar Joden woonden, vochten Joodse zelfverdedigingsorganisaties tegen hun aanvallers. Hun moed werd vertolkt door de moeder van de 17-jarige Abraham Kurchik uit Sjklov in Wit-Rusland. Haar zoon kwam om toen hij op 21 oktober 1905 meevocht tegen een pogrom in de stad Orsha. “Toen hij hoorde dat de Joden van Orsha werden afgeslacht en vermoord, besloot mijn Abraham om ze te hulp te schieten,” zei zij aan zijn graf. “En ik kon hem niet tegenhouden. Ik zei tegen hem: ‘Mijn zoon, het bloed van onze broeders vloeit daar. Ga. Ik kan niet in je weg staan.’ Hij viel als een martelaar voor het Joodse volk.”

Tweede Wereldoorlog
Anderhalf miljoen Joden – 10 procent van de Joodse wereldbevolking vlak voor de oorlog – streden in geallieerde dienst tegen de nazi’s. Van de half miljoen Joodse soldaten in het Russische leger sneuvelde een recordaantal van 40 procent. In het Amerikaanse leger dienden 550.000 Joden, in het Poolse leger tijdens de Duitse invasie 100.000 en in het Britse leger 30.000. De Joodse Brigade van dat laatste leger telde ruim vijfduizend vrijwilligers uit Palestina. Een van de bekendste Joden in Britse dienst was Hannah Szenes, die in maart 1944 boven Joegoslavië uit een vliegtuig parachuteerde om Hongaarse Joden van deportatie naar Auschwitz te helpen redden. Zij werd aan de Hongaarse grens opgepakt, verraadde haar medeparachutisten ook na martelingen niet en werd geëxecuteerd. Ook waren er gedurende de oorlog alleen al in bezet Polen en Rusland ten minste honderd gewapende Joodse opstanden waaraan tienduizenden deelnamen.
Daarnaast waren er talloze geweldloze verzetsdaden zoals voedsel-, kleding- en medicijnensmokkel naar de getto’s; de Joodse kranten, scholen, theaters en orkesten die in deze getto’s werden opgericht om de Joodse cultuur te behouden; het in veiligheid brengen van Joodse kinderen en volwassenen; en het waardig en menselijk blijven tegenover de nazi’s. Dit waren allemaal uitingen van verzet en van kidoesj hachajiem, het heiligen van het leven.

Nederland
Zo’n duizend Nederlandse Joden zaten in het verzet tegen de nazi’s. De helft van hen werd vermoord. Als een van de eersten bood bokser Bennie Bluhm weerstand met de Joodse leden van zijn boksschool. Op 11 februari 1941 kwam bij een gevecht met Bluhms mannen WA-lid Hendrik Koot om. De Duitsers reageerden met de eerste razzia in Nederland, die weer tot de Februaristaking leidde. Bluhm streefde na de oorlog naar een monument voor het Joods verzet. Dat monument kwam er in 1988, twee jaar na zijn dood.
Toen de Grüne Polizei op 19 februari binnenviel in ijssalon Koco aan de Amsterdamse Van Woustraat, een uitvalsbasis voor Joodse knokploegen, kregen zij de volle laag uit een fles ammoniakgas. De eigenaren, de Duits-Joodse vluchtelingen Ernst Cahn en Alfred Kohn, werden opgepakt. Kohn werd gedeporteerd en op 3 maart was Cahn de eerste verzetsman in Nederland die door de nazi’s voor het vuurpeloton werd gezet.
Tweehonderd Joodse strijders van de ondergrondse Nederlandse Volksmilitie voerden onder leiding van Sally (Samuel) Dormits, die guerrillaervaring had opgedaan in de Spaanse Burgeroorlog, bomaanvallen uit op Duitse treinen met troepen en staken bioscopen in brand die verboden waren voor Joden. Nadat Dormits was opgepakt schoot hij zichzelf op 17 oktober 1942 op het politiebureau door het hoofd.

België, Frankrijk en Duitsland
Joodse communisten vielen vanaf 1941 op grote schaal Belgische collaborateurs aan en pleegden sabotage en aanslagen tegen Duitse troepen. Een grote groep Joodse vluchtelingen vormde de kern van de gewapende partizanentak van de voornaamste Belgische verzetsbeweging, het Front de l’Interieur. Drie groepen van samen ongeveer honderd man waren actief in Brussel en omgeving. Op 1 april 1943 werd in België een aanslag gepleegd tegen het twintigste treinkonvooi van Mechelen naar Auschwitz door verzetsstrijders George Lifshitz, Robert Maistriau en Jean Franklemon. Zeventien Joden ontsnapten uit de trein, 115 waren al ontsnapt voorafgaand aan de aanslag.
15 tot 20 procent van de Franse verzetsstrijders waren Joden, die toen 1 procent van de Franse bevolking uitmaakten. Zij organiseerden zich onder meer in de Joodse padvindersvereniging, de Mouvement de la jeunesse sioniste in Vichy-Frankrijk en de Armée juive (het Joodse leger), die als ondergrondse organisatie voornamelijk militaire sabotageacties uitvoerde. De Armée juive telde ongeveer tweeduizend strijders, viel Duitse troepen en informanten aan en vocht in augustus 1944 in Parijs, Lyon en Toulouse mee bij de algemene opstand in Frankrijk. In tegenstelling tot Nederland, waar driekwart van de Joden werd vermoord, werd driekwart van de Franse Joden juist gered.
Het Joods verzet in Duitsland bestond vooral uit ondergrondse links-zionistische groepen als Hasjomer Hatzair en Habonim. De Joodse verzetsgroep Baum-Gruppe van Herbert Baum verspreidde antinazipamfletten, organiseerde heimelijke demonstraties en blies op 18 mei 1942 in de Berlijnse Lustgarten de anti-Russische tentoonstelling Das Sowjet-Paradies van Joseph Goebbels op.

Nazi-Duitse foto van ‘bandieten die zich met wapens verdedigden’ in het getto van Warschau. Let op de gezichtsuitdrukkingen. Bron: Wikipedia

Oost-Europa
De Joden hadden weinig kans tegen de enorme overmacht van de nazi-vernietigingsmachine, maar vochten toch terug in de getto’s en zelfs in de kampen.
In het getto van Warschau vielen twee Joodse verzetsgroepen, de Zydowska Organizacja Bojowa (Joodse Gevechtsorganisatie) en de Zydowski Zwiazek Wojskowy (Joodse Strijdersbond) op 18 januari 1943 Duitse soldaten aan tijdens de tweede deportatiegolf naar de vernietigingskampen. Met handwapens en molotovcocktails wisten zij de deportaties na vier dagen te stoppen. Het verzet nam het getto over. Na drie maanden, op 19 april, viel het Duitse leger aan. Het Joods verzet hield de Duitsers tot 16 mei buiten de gettomuren. Er waren tientallen andere opstanden in getto’s, zoals in Bialystok, Czestochova, Minsk en Vilnius. Uit getto’s ontsnapte Joden sloten zich vaak aan bij partizanengroepen met tienduizenden leden. Die opereerden bijvoorbeeld in de bossen bij Lublin in Polen, maar ook in Italië waren er Joodse partizanen.
Op 2 augustus 1943 ontsnapten honderd Joden tijdens een opstand in kamp Treblinka. Zeventig van hen overleefden de oorlog. Joodse verzetsstrijders doodden op 14 oktober elf SS-officieren in concentratiekamp Sobibor en driehonderd gevangenen wisten te ontsnappen. De meesten werden weer gepakt, maar na deze opstand sloten de nazi’s het kamp. In Auschwitz kwamen de Joodse Sonderkommandos, die in de gaskamers en crematoria moesten werken, in opstand op 7 oktober 1944. Met door vrouwelijke gevangenen naar binnen gesmokkelde explosieven legden zij Crematorium IV deels in puin.

Onafhankelijkheid
De Israëlische onafhankelijkheid werd zwaar bevochten. Al vanaf de jaren 20 was er gewapende strijd tussen de Jisjoev, de Joodse gemeenschap in Palestina, en de Arabieren. In 1947 bestond de bevolking in het mandaatgebied uit ongeveer 1,2 miljoen Arabieren, en 600.000 Joden die een eigen staat nastreefden. Wat daarvan zou komen vertelde secretaris-generaal van de Arabische Liga Azzam Pasha op 11 oktober 1947 aan de Egyptische krant Akhbar al-Yom: “Het zal een uitroeiingsoorlog zijn. Een monumentaal bloedbad in de geschiedenis, waarover gesproken zal worden als over de bloedbaden van de Mongolen of de Kruistochten.” Toch nam de VN op 29 november 1947 een resolutie aan om het land te verdelen in een Joodse en een Arabische staat. Meteen daarna begonnen Arabische aanvallen op doelen als bussen waar veel Joden in zaten en op Joodse wijken. In januari 1948 kwam een Arabisch vrijwilligerslegioen de Palestijnse Arabieren te hulp.

Arabische invasie. De blauwe lijnen geven het gebied aan dat door de VN aan de Joden was toebedeeld. Afbeelding Department of History, U.S. Military Academy, bron: Wikipedia

Invasie
Een dag na het uitroepen van de staat Israël door David Ben Goerion, op 14 mei 1948, vielen troepen uit Egypte, Irak, Syrië, Transjordanië, Libanon en Saoedi-Arabië – met hulpcohorten uit Soedan en Jemen – het land binnen. Israël beschikte aanvankelijk over maar 19.000 slecht bewapende soldaten in actieve dienst en nog veertigduizend die konden worden opgeroepen. Dit aantal zou aan het eind van de oorlog wel stijgen naar ruim honderdduizend. Zij namen het op tegen zo’n zeventigduizend Arabische soldaten. Aan de vooravond van de oorlog waarschuwde chef militaire operaties Yigael Yadin Ben Goerion dat de kans op succes fiftyfifty was. Hoe hachelijk de situatie was bleek bijvoorbeeld toen op 29 mei 1948 een Egyptische legerkolonne van vijfhonderd voertuigen Tel Aviv tot op 32 kilometer was genaderd. Met vier inderhaast aangerukte Tsjechoslowaakse nep-Messerschmitts wisten Israëlische piloten – onder wie de latere president Ezer Weizman – de aanval bij Asjdod tot staan te brengen. De prille Joodse luchtmacht maakte ook een einde aan de Egyptische bombardementen op Tel Aviv.

Wapensmokkel
Israël was zo slecht bewapend omdat de Britten tijdens de mandaatperiode niet toestonden dat de Joden wapens importeerden, en door Amerikaanse en VN-wapenembargo’s ‘voor de lieve vrede’. Ben Goerion was echter al vanaf 1946 bezig met het kopen van de benodigde wapens, vaak – met Russisch goedvinden – uit Tsjechoslowakije. Ook produceerde de Joodse staat zelfgemaakte wapens, zoals de inaccurate maar angstaanjagend luide Davidka-mortieren. Bij het uitbreken van de Onafhankelijkheidsoorlog had het Israëlische leger echter maar een enkele tank of kanon en slechts negen, sterk verouderde, vliegtuigen. Toen naast de Tsjechoslowaakse toestellen Spitfires and Mustangs arriveerden, keerden de kansen. Zo werd in juli 1948 Caïro gebombardeerd met een net in Amerika aangeschafte B-17-bommenwerper.
De Arabieren hadden intussen vrije toegang tot wapens uit bijvoorbeeld Engeland. Het Jordaanse Arabische Legioen, bewapend en opgeleid door de Britten, telde 48 Britse officieren en werd aangevoerd door de Britse generaal John Pasja Glubb. De Egyptenaren beschikten over vliegtuigen van de Britse Royal Air Force. Een aantal daarvan werd door de Israëli’s neergehaald.

Israëlische soldaten hijsen de ‘inktvlag’ bij het latere Eilat. Foto: Micha Perry, bron: Wikipedia

Inktvlag
De Hagana, het grootste leger van de Jisjoev, de Joodse gemeenschap in Palestina, ging vanaf april 1948 in het offensief en veroverde onder meer Akko, Tiberias en Haifa. Op 19 mei viel het Arabische Legioen Jeruzalem binnen en nam Oost-Jeruzalem in. De Joden moesten de Oude Stad ontvluchten, West-Jeruzalem bleef Israëlisch en verbonden met de rest van de Joodse staat dankzij de door de Hagana in juni voltooide ‘Burma Road’. Tienduizend Egyptische soldaten veroverden enkele Joodse nederzettingen in de Negev. Syrische en Libanese legers stuitten op zware tegenstand vanuit de Joodse nederzettingen aan de Israëlische grens. Eind mei werden de Israel Defense Forces in het leven geroepen. De Hagana en kleinere gevechtsorganisaties als Irgoen en Lechi werd gevraagd zich onder dit commando te scharen.

Front oktober 1948. Bron: Wikipedia

Na een staakt-het-vuren van 11 juni tot 8 juli 1948 veroverde Israël Ramle, Lod en Laag-Galilea en na een bestand van 18 juli tot 15 oktober 1948 Asjdod en de noordelijke Negev-woestijn met Be’er Sjeva. Na een vruchteloos derde staakt-hetvuren was eind oktober heel Galilea Isaëlisch. In december joegen de Israëli’s de Egyptische troepen vanuit de westelijke Negev terug de Sinaï- woestijn en de Gaza-strook in. In de door Jordanië bezette oostelijke en zuidelijke Negev verliep de strijd net zo voorspoedig. Israëlische soldaten hesen op 10 maart een zelfgemaakte ‘inktvlag’ in Oem Rasjrasj aan de Rode Zee, het latere Eilat. Op Rhodos sloot de Joodse staat in februari, maart en april 1949 wapenstilstanden met Egypte, Libanon, Jordanië en Syrië. Irak weigerde.
Er waren bloedbaden over en weer. Ruim 700.000 Arabieren ontvluchtten Israël of werden verdreven. Hetzelfde lot wachtte de jaren erna 850.000 Joden in Islamitische landen. Meer dan zesduizend Israëli’s, 1 procent van de Joodse bevolking, sneuvelde bij het veiligstellen van de onafhankelijkheid.

Israël in 1949. Bron: Wikipedia

5 Comments

  1. Over opstandige mensen gesproken: ik heb die Bibi er nog steeds niet onder. Nóg een keer de Shin Bett bellen dan maar? Misschien moet ik maar gewoon een ticket boeken, bij dat ambtswoninkje van hem aanbellen, zo van: “Waar zijt gij nou mee bezig, met al oew gratis champagne en dikke sigaren. Wie denkte gij nou voor de gek te kunnen houden?”.

    Om iets exacter bij het onderwerp van dit artikel te blijven: en Bielski dan?

  2. Nou beste mensen, ik ben net terug van een paar daagjes Israël. Bibi was niet blij toen ik aanbelde, wat kan die vent trouwens hard slaan zeg. “Nee, nee, zo gaan we niet om met mekaar” slaakte ik nog.

    We hebben het uitgepraat, ik legde hem uit dat belangenverstrengeling, corruptie en populisme met elkaar samenhangen. Hij zou het nooit meer doen, beloofde hij.

    Hij wist trouwens nog niet wat hij na de politiek zou gaan doen. Ik vertelde hem dat hij altijd nog bij de VARA kan gaan werken en dat hij perfect zou passen tussen de heren Jeroen Pauw, Mathijs van Nieuwkerk, Paul de Leeuw en Francisco van Jole. Hij verklapte me dat hij al twee keer (!) had ingevallen bij DWDD. Gewoon een vadsig pruikje opzetten, doen alsof je links bent en ondertussen gigantische bedragen binnenharken. Het is werkelijk niet te geloven.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*