Opgejaagd genie

Roman Polanski op het filmfestival van Cannes, 2013. Foto: Georges Biard
Roman Polanski op het  filmfestival van Cannes, 2013. Foto: Georges Biard
Roman Polanski op het filmfestival van Cannes, 2013. Foto: Georges Biard

Filmmaker Roman Polanski werd onlangs 80. Hij leidde een leven dat zelf filmwaardig is. Hij overleefde het getto en groeide uit tot een iconische regisseur.

Het getto van Krakau was Roman Polanski’s Kindergarten, zo formuleerde de Australische criticus Clive James het. Polanski (18 augustus 1933) was zes toen de Duitsers zijn land binnenvielen en de familie – Joodse vader, half-Joodse en half-katholieke moeder – net als duizenden andere in het getto werd opgesloten. „Ik wist niet beter, ik had geen vergelijking,” zei Polanski later, ‘een kind accepteert heel veel’. Maar hij had een helse jeugd: hij dwaalde door de riolering van Krakau met een bende Joodse kinderen om voedsel te stelen, hij werd in elkaar geslagen, hij leed honger, hij zag hoe een vrouw werd doodgeschoten door een Duitse soldaat. Maar de meeste indruk maakt het transport van zijn moeder naar Auschwitz; pas na de oorlog hoorde hij dat ze in het concentratiekamp was vermoord. Zijn vader werd weggevoerd naar Mauthausen, maar hij overleefde. De constante bedreiging met geweld, iets unheimisch dat in de lucht hangt, zie je in veel van zijn films terug. Polanski zelf overleefde dankzij Poolse boeren op het platteland, mede dankzij zijn niet erg Joodse uiterlijk.

Volgens Polanski is zijn carrière ‘op de een of andere manier verbonden’ met het vroege verlies van zijn moeder. Een opvallende carrière, gebaseerd op een vroege fascinatie voor film; al vanuit het getto kon hij door een kier in de muur naar Duitse nieuwsuitzendingen kijken die op een scherm op het plein werden vertoond. Hij wilde zelf films maken, het waren dromen voor hem en hij las er boeken over. Hij bezocht de Nationale Filmschool in Lódz en viel zijn leraren als regie-assistent op door zijn talent. Hij begon als acteur, maar mocht in 1962 al zijn eerste film maken, Mes in het water, dat al meteen het gebruikelijke pessimisme over menselijke relaties uitwasemde.

Dit was het eerste succes, en niet het laatste. In het oosten was alles ‘grauw en geometrisch’ en hij reisde naar Frankrijk en Engeland. In 1965 kon hij Repulsion maken, een psychologische horrorfilm, zijn specialiteit; op de set leerde hij en passant Engels. Hij hield van het Londen van de jaren 60, met zijn minirokjes die uitdrukten ‘dat vrouwen zich veilig voelden’, pikant detail gezien de latere ontwikkelingen. Hij maakte de parodie Dans der Vampiers, waarmee hij zich uitleefde in een Chagall-achtige kleurenexplosie.

Tate 

Hij kon in de Verenigde Staten aan het werk. Hij trouwde in 1968 met Sharon Tate ‘uit liefde’, al was hij haar niet trouw, en draaide Rosemary’s Baby (vrouw i s zwanger v an d e duivel), een groot succes. In augustus werd de zwangere Sharon door de ‘familie’ van Charles Manson gruwelijk vermoord. Polanski zou altijd spijt voelen over zijn afwezigheid; die moord veranderde zijn karakter van ‘grenzeloze zee van verwachtingen’ in ‘eeuwige onvrede met het leven’. De pers gedroeg zich vreselijk, speelde het blaming the victim-spel. Polanski was geschokt door dit gebrek aan empathie en zou de pers blijven verafschuwen. Hij vluchtte na Tates dood in de omgang met jonge vrouwen, waar ook weer kritiek op kwam. Hij had tal van affaires en trouwde in 1989 pas opnieuw, met de veel jongere Emmanuelle Seigner. In 1971 maakte Polanski, gefinancierd door Playboy-baas Hugh Hefner, Macbeth en in 1974 Chinatown, volgens velen zijn beste film, over geweld en het recht dat niet zegeviert (die frustratie moest filmkijkers aanzetten om iets in de werkelijkheid te veranderen, dacht Polanski). In 1977 kon hij niet van een veertienjarig fotomodel afblijven (dat er ‘veel ouder uitzag’) en werd hij opgepakt; hij weet dat later aan zijn faam, waardoor de autoriteiten het op hem gemunt hadden. Toen er bijna een deal was ontvluchtte hij het land omdat hij hoorde dat de rechter hem veel langer wilde vasthouden. Tot op de huidige dag kan Polanski de Verenigde Staten niet in en enkele jaren geleden werd hij nog opgepakt in Zwitserland, dat hem echter niet uitleverde maar huisarrest gaf. Beroemdheden steunden hem, maar de publieke opinie was overwegend tegen hem. Hij gaf toe dat aandacht van vrouwen hem vleit; hij heeft een ‘enorm ego’, wat volgens hemzelf te maken had met zijn geringe lichaamslengte.

Het filmen gingen door. Met Tess (1979) won hij drie Oscars en The Pianist won een Gouden Palm in Cannes; Polanski’s prijzenlijst is lang. Carnage (2011) was een prachtige film over twee stellen die elkaar verbaal te lijf gaan na een kinderruzie. Venus in Bont kwam dit jaar uit. Polanski, op de set geen democraat, doet nooit erg duur met theorieën over film. Film ‘is vooral amusement’ of ‘droom’, ons lot kunnen we niet beheersen en de liefde is mooi, maar eindig, en dus tragisch. De boodschap van Polanski is in essentie een tragische – hoe kan het ook anders, na zo’n leven. n

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*