Onwetend?

Wat wisten gewone Nederlanders tijdens de oorlog over de Shoa? Die vraag stelt de Leidse historicus Bart van der Boom in zijn met de Libris Geschiedenisprijs bekroonde boek. Ook de vervolgvraag of Nederlanders genoeg deden om Joden te helpen komt aan de orde.

 

Auteur: Anet Bleich

Misschien kan ik er met mijn dood toe bijdragen de onverschilligheid te doorbreken van degenen die de Joden in Polen nog kunnen redden.” Dat schreef Szmuel Zygielboim, bestuurslid van de Pools-Joodse Bund voordat hij zichzelf in Londen, in mei 1943, om het leven bracht. De deportaties uit het bezette Europa waren toen al bijna een jaar aan de gang en betrouwbare berichten over wat zich in de vernietigingskampen afspeelde hadden inmiddels Londen en Washington bereikt. De geallieerde regeringen hadden op 17 december 1942 een gezamenlijke offi ciële verklaring uitgebracht waarin zij ‘deze bestiale politiek van uitroeiing in koelen bloede’ veroordeelden. De tekst werd via de radio wereldkundig gemaakt, ook Radio Oranje zond de verklaring in haar geheel uit. Eerder, in oktober 1942 had koningin Wilhelmina in een radiotoespraak aandacht besteed aan de Jodenvervolging, die zij beschouwde als ‘ons persoonlijk aangedaan’. Zij sprak in haar rede over ‘stelselmatige uitroeiing’.

Passiviteit
Krachtige woorden, maar zij werden niet gevolgd door even overtuigende daden. In zijn vorige zaterdag met de Libris Geschiedenisprijs bekroonde boek ‘Wij weten niets van hun lot’ – Gewone Nederlanders en de Holocaust gaat historicus Bart van der Boom in op het waarom van deze passiviteit. Bij de Britse en Amerikaanse overheid signaleert hij – sporadisch – antisemitisme, maar vooral angst voor antisemitisme onder de bevolking in bezet Europa. Dat antisemitisme werd immers door de nazi’s systematisch gevoed. Van der Boom: „Expliciete veroordeling van hun vervolging, laat staan actieve hulp aan Joden, zou (…) de Duitse propaganda in de kaart spelen, vreesde men.”

Vandaar dat de Jodenvervolging bij voorkeur gepresenteerd werd als een van vele oorlogsmisdaden. Nog een reden voor de onderbelichting was de angst voor ongeloof. Of de verhalen over gaskamers waar waren of niet, het leken gruwelsprookjes en met gruwelpropaganda had men in de Eerste Wereldoorlog slechte ervaringen opgedaan. Voor de Nederlandse regering in Londen golden min of meer dezelfde overwegingen; ook zij wilde per se geen onderscheid maken tussen Joden en niet-Joden en beschouwde de Joden als een groep die net als andere veel onder de bezetting te lijden had. Met als gevolg dat de voorlichting vanuit Londen beperkt en fragmentarisch bleef.

Compromis
Buitengewoon interessant is het beeld dat Van der Boom schetst – aan de hand van een groot aantal oorlogsdagboeken – van de stemming onder de gewone Nederlanders. Die was, concludeert hij, fel anti-Duits. Ook de anti-Joodse maatregelen stuitten op scherpe afkeuring. De meeste Nederlanders vonden de Jodenvervolging afschuwelijk en on-Nederlands. Onder een vrij grote minderheid van de dagboekschrijvers (ongeveer een kwart) leefden tegelijkertijd (tamelijk milde) antisemitische vooroordelen, maar volgens Van der Boom betekende dat niet dat ze begrip opbrachten voor de vervolging door de nazi’s. „Instemming en desinteresse bestonden, maar woede was de regel.” De bekende leus van de Februaristaking: ‘Blijf met je rotpoten van onze rotjoden af’ ging kennelijk nogal eens letterlijk op. Zowel Joodse als niet-Joodse dagboekschrijvers maken melding van de algemene afschuw die het verplicht stellen van de gele ster opriep.

Direct na de invoering, mei 1942, wemelde het in trams, treinen en op straat van niet-Joodse burgers die hun zitplaats afstonden aan sterdragers of hoed of pet afnamen. Van der Boom acht dit typerend voor de anti- Duitse geest van verzet in Nederland. Maar het ging meestal om lijdelijk verzet. Van der Boom noemt deze term terecht ‘toepasselijk paradoxaal; lijdelijkheid impliceert immers afwezigheid van verzet’. Jan en Marie Modaal verzetten zich als het kon en niet te gevaarlijk was, anders gehoorzaamden ze. Of, zoals Van der Boom het uitdrukt: „Het gedrag van de Nederlander in bezettingstijd was een compromis (…): tussen verontwaardiging over onrecht, hoop dat het snel voorbij zou zijn, een verlammend gevoel van machteloosheid, aangewakkerd door een grote angst voor straf.” Hij polemiseert op dit punt met Chris van der Heijden die dit gedrag ‘grijs’ noemt. Zo ‘blijft onzichtbaar dat haat jegens de bezetter en zijn program kon samengaan met gehoorzaamheid’.

Geschokte omstanders
Het beeld dat de auteur uit de dagboeken destilleert, is niet alleen strijdig met dat uit Grijs verleden, maar ook met wat Van der Boom ‘de mythe van de schuldige omstanders’ noemt. Hij ergert zich zeer aan de veroordeling die spreekt uit een term als ‘Nederland deportatieland’. Want: „Gewone Nederlanders keken niet de andere kant op, toen de Joden werden gedeporteerd; ze keken geschokt toe. Ze lieten de Joden niet in de steek; ze dachten dat ze hen niet konden helpen.” Gelukkig maar, ben je geneigd daar zelf aan toe te voegen, dat er toch nog mensen waren die dachten dat ze wel konden helpen en dat ook deden.

Maar waarom gaf de meerderheid, die anti-nazi was, op het beslissende moment niet thuis? Ook daarvoor noemt Van der Boom mogelijke verklaringen die plausibel aandoen. Hij noemt de rechteloosheid tijdens de bezetting die een intimiderend effect had en hij betoogt dat ‘(…) het gedrag van burgers in een politiestaat (…) geen weerslag (vormt) van hun morele en politieke overtuigingen: die politiestaat is ontworpen om dat te voorkomen.’ Dat klopt. Maar Van der Boom vindt deze verklaring blijkbaar niet afdoende. Daarom wijdt hij een groot deel van het boek aan onderzoek naar de vraag wat de dagboekschrijvers – en dus de Nederlanders – precies wisten van de gang van zaken in de vernietigingskampen. Zijn grondig onderbouwde conclusie luidt: ‘De tijdgenoten – de Nederlandse tijdgenoten althans – maakten uit de berichten die hun ter ore kwamen wel op dat de Duitsers de intentie hadden de Joden uit te roeien, maar niet de manier waarop dat gebeurde.’

Gaskamers
Van der Boom besteedt zoveel energie aan het bereiken van dit inzicht, omdat hij erop uit is de these te ontkrachten van Ies Vuijsje die in het in 2006 verschenen Tegen beter weten in de stelling verdedigt dat iedereen vanaf eind 1942 kon weten en wist van de gaskamers. Na de oorlog hebben machthebbers en geschiedschrijvers dit cruciale gegeven volgens Vuijsje verdonkeremaand. Van der Booms weerlegging van deze stelling vind ik overtuigend: men vermoedde dat er daar in Polen iets verschrikkelijks gebeurde, maar wist er het fijne niet van (dat geldt overigens niet voor Churchill en Roosevelt en andere goed geïnformeerden die het wel wisten).

Wat is het ontzettend jammer en ook verbazingwekkend dat Bart van der Boom in het slotdeel van zijn boek met zijn eigen conclusies op de loop gaat en zich bezondigt aan een even ongeloofwaardig als onverantwoordelijk staaltje ‘what if’ geschiedschrijving. Wat zou er anders zijn gegaan als men wel duidelijk op de hoogte was geweest van de Holocaust? Van alles, volgens Van der Boom. Meer Joden zouden hebben durven onderduiken – dat is denkbaar, inderdaad leefde bij nogal wat Nederlandse Joden de angst om als strafgeval naar Mauthausen of Westerbork te worden gestuurd als ze in de onderduik betrapt werden. En verder: De Joodsche Raad zou niet langer hebben meegewerkt (???), meer Nederlanders hadden actief verzet gepleegd en onderduikers genomen (voelden ze zich dan ineens niet meer machteloos en waren ze niet meer bang voor straf?), ja ‘misschien zou het begin van de deportaties wel het eind van de accommodatie hebben ingeluid’ en waren Nederlandse gezagsdragers, politie, spoorwegen et cetera zich dan ook gaan verzetten. Maar ja, ze wisten het niet en konden daarom blijven denken dat gehoorzaamheid het kleinste kwaad was.

Goedpraterij
Sorry, maar dit is niet alleen speculatief, het is ook goedpraterij. Uit Van der Booms eigen naspeuringen blijkt dat men genoeg wist om te begrijpen dat de nazi’s de Joden kapot wilden maken. Dat besef leefde in brede kring, toch werd er vaak niet gehandeld. Die pijnlijke tegenstelling wegpoetsen, omdat alles vast anders was gegaan als men maar zeker had geweten hoe de Joden werden afgeslacht, is simplistisch en demagogisch. Van der Booms slotbeschouwing waarin hij en passant nog van leer trekt tegen de ‘heilige verontwaardiging’ in het debat over de Jodenvervolging en vraagt om empathie voor alle betrokkenen (slachtoffers, omstanders, medeplichtigen en daders), doet ernstig afbreuk aan de waarde van dit voor het overige vaak boeiende en genuanceerde boek.

Bart van der Boom, ‘Wij weten niets van hun lot’ – Gewone Nederlanders en de Holocaust, Uitgeverij Boom, 563 blz., € 29,90.

Lees hier de reactie van Bart van der Boom op deze recensie.

1 Reactie

  1. Anet Bleich laat een cruciaal onderdeel van mijn argumentatie weg waardoor deze een stuk onnozeler lijkt dan ze in werkelijkheid is. Zie mijn blog (eenvoudig te vinden door op titel of auteur te googlen) voor een zojuist geplaatst weerwoord.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.