Ode aan een monnik

Michel Waterman. Foto: Claudia Kamergorodski
Michel Waterman. 

Postzegels, sigarenbandjes (kent u ze nog?), bierviltjes, speldjes, sleutelhangers, alles wordt verzameld. In tegenstelling tot dieren zoals eek-hoorns – die voedsel verzamelen om de winter oor te komen – verzamelt de mens voor zijn plezier. Het is, in het algemeen, een hobby.

 

Als kind heb ik gegniffeld om een fl auw Belgisch mopje: ‘Polleke en Lieveke zitten in de gevangenis. Bij een inval heeft de politie bij hen thuis een opslagplaats van Franse woordjes ontdekt.’ Woorden kun je niet verzamelen, dat kom je alleen in zo’n flauwe grap tegen. Dacht ik.

In januari 2014 ging ik naar Parijs voor het maken van geluidsopnamen voor een onlinecursus Jiddisj. Ik ging niet alleen, maar met twee geluidstechnici én Justus van de Kamp, die de cursus grotendeels geschreven had. Ons reisdoel was het Maison de la Culture Yiddish, waar voldoende native speakers rondliepen die teksten voor ons konden inspreken. De reis was een succes. Na drie dagen stapten we weer in de Thalys met een tas vol geluidsbestanden.

Zo’n werktripje naar Parijs is best aangenaam. Je leert je reisgenoten, de mensen met wie je werkt, wat beter kennen. Vooral bij de gezamenlijke diners. En in de kroeg, waar we nog even iets dronken voor het slapengaan. Meestal ontbrak Jus- tus daarbij. Hij had ’s avonds altijd nog iets te doen. Als wij nog aan een goed glas wijn zaten, zocht hij zijn hotelkamer op.

Op de terugreis zat ik tegenover Justus. Hij leegde een van de zware tassen die hij meesjouwde. Even vreesde ik dat hij een kraak had gezet in een museum. Uit die tas kwam een laptop – een IBM of een Samsung, daar wil ik van af zijn – stok- oud, zeker vijf keer zo dik als het MacBook-je waarop ik deze column schrijf. Een waar museumstuk. En op die laptop begon hij gegevens in te kloppen, in een niet erg courant programma, althans een programma dat ik niet kende, Einstein Writer. Natuurlijk was ik nieuwsgierig: wat was hij toch aan het doen?

“Ik voer trefwoorden in,” antwoordde Justus op mijn vraag. “Trefwoorden?” “Ja, Jiddisje trefwoorden, voor mijn woordenboek.”

Levenswerk
In 1987, ruim dertig jaar geleden dus, studeerde Justus Jiddisj bij de vermaarde professor Rena Fuks-Mansfeld (z.l.). “Maak gewoon je eigen woordenboek,” adviseerde zij haar studenten. Nooit, nee nooit, had zij kunnen bevroeden dat een van hen dat advies zo letterlijk zou nemen. Justus begon zijn eigen woordenboek te maken en is daarmee nooit meer opgehouden. Dertig jaar monnikenwerk! Zijn woordenboek omvat anno 2018 zo’n 80.000 trefwoorden en is daarmee het grootste Jiddisje woordenboek ter wereld.

Inmiddels zijn alle bestanden door experts omgezet naar een hedendaags format en staat dit lijvige woordenboek online. Aanstaande donderdag, 22 februari, vindt in het gebouw van het IISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis)  in Amsterdam de officiële, feestelijke presentatie van het woordenboek plaats. Bij die gelegenheid krijgt Justus ongetwijfeld alle koved die hem toekomt en wordt zijn levenswerk formeel afgerond. Hoewel.

“Zo’n onlinewoordenboek heeft één groot voordeel,” vertrouwde de maker me onlangs toe. “Je kunt altijd nog wat aanpassen. En trefwoorden toevoegen natuurlijk …”

De door Justus van de Kamp geschreven onlinecursus Jiddisj is te vinden op www.crescas.nl, het JNW (Jiddisj-Nederlands Woordenboek), dat gratis gebruikt kan worden, op www.jiddisjwoordenboek.nl of, zo u wilt, op www.jiddischwoordenboek.nl.