Nieuwe Coen-klassieker

inside-llewyn-davisIn Inside Llewyn Davis, de nieuwe film van Joel en Ethan Coen, volgen we een verbitterde folkzanger op een rusteloze odyssee door het Greenwich Village van begin jaren 60. Sleutelwoorden: melancholisch, grauw, briljant.

Door: Jaron Beekes

 

Het zit Llewyn Davis niet mee. De folkzanger (begin dertig, baardje, bleek gezicht en sjofele kleding) was ooit de helft van een populair duo. Maar sinds de andere helft van de Washington Bridge is gesprongen (‘Wie doet zoiets? Spring dan van de Brooklyn Bridge, zoals iedereen’) speelt hij zijn liedjes alleen, in een bedompt café. Hij moet rond zien te komen van wat het ook al niet al te kapitaalkrachtige publiek in een mandje gooit. En zelfs dat moet hij delen met de rest van de artiesten die avond. Llewyn slaapt dan ook bij vrienden op de bank. Hoewel, vrienden, zijn collega’s zien de klaploper liever gaan dan komen.

 

En zo zwerft Llewyn van het ene adres naar het andere, door het (veelal Joodse) bohémien milieu van Greenwich, de wijk op Manhattan waar folkartiesten uit heel Amerika op af kwamen. Een van hen was Bob Dylan, die in de film het pad van Llewyn Davis even kruist, zonder dat deze dat overigens doorheeft. Davis is in veel opzichten het schlemielige broertje van Dylan. De getormenteerde kunstenaar die de commercie verafschuwt, maar tegelijkertijd hunkert naar het succes dat hij bij zijn collega’s ziet.

 

Wrange humor

Muziekfilms zijn niet altijd geloofwaardig, zeker niet wanneer ze zich ook nog in vervlogen tijden afspelen. Maar de zestiende film van de gebroeders Coen (beiden schrijven én regisseren) doet je volledig onderdompelen in een andere plaats en tijd, zonder dat het geforceerd aanvoelt. Dat is voor een groot deel te danken aan de relatief onbekende acteur Oscar Isaac. Hij zingt en speelt alle liedjes, oorspronkelijk repertoire van cultheld Dave Van Ronk, live in. En doet dat adembenemend mooi.

 

Knap is ook hoe het vale kleurenpalet van winters Manhattan aansluit op het gemoed van de hoofdpersoon. Je voelt de kou door zijn versleten corduroy jasje heen.

 

Het zich traag ontvouwende verhaal lijkt geen vast stramien te volgen (hoewel er op het eind een verrassing in het plot zit). We worden een week meegenomen in het leven van de worstelende artiest. Hij lift naar Chicago voor een auditie en speelt als sessiemuzikant een flutliedje in, maar ontvangt daar geen royalty’s voor. En ondertussen zwalkt hij van de ene ruzie naar de volgende scheldpartij.

 

Toch wordt de film nooit te zwaar. Er zit een wrange humor in de pech die Llewyn met een Buster Keaton-waardige pokerface ondergaat. Of hij nu in een plas natte sneeuw stapt of door de metro een ontsnapte kat achterna rent, hij houdt iets aandoenlijks.

 

Ook prachtig zijn de bijrollen van Justin Timberlake als sullige collega-‘folkie’, wiens vriendin (Carey Mulligan) Llewyn per ongeluk bezwangert, en John Goodman, een vaste kracht uit de stal van de Coens. Hij speelt de intimiderende, reusachtige jazzmuzikant die Llewyn met zwarte magie bedreigt. Maar dit zijn karikaturen, de film draait om de gelaagde karakterstudie van de hoofdpersoon.

 

Loser

Van de Coen brothers wordt gezegd dat ze een lans breken voor hun losers. Dat geldt zeker voor Llewyn Davis. Want al doet hij niets om de sympathie van de kijker voor zich te winnen – hij is arrogant, humeurig en ziet vrienden en familie vooral als adresjes om te overnachten of geld te lenen –, toch wens je hem het beste toe. Misschien komt het omdat hij zo ingeleefd zingt, misschien omdat hij toch liefde lijkt te voelen voor zijn demente vader. Of misschien komt het omdat we ons allemaal wel eens Llewyn Davis voelen.

 

Inside Llewyn Davis, Joel en Ethan Coen, in bioscopen door het hele land.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*