Nieuw licht op Oud

Poortgebouw Rotterdam, ontwerptekening van J.J.P. Oud, 1942
Poortgebouw Rotterdam, ontwerptekening van J.J.P. Oud, 1942

Architectuurjournalist David Keuning onthulde begin deze maand dat J.J.P. Oud, de ontwerper van het Nationaal Monument op de Dam, tijdens de bezetting lid was van de pro-Duitse Kultuurkamer. Daarmee komen de beschuldigingen van oud-docent Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft, Michiel Polak, dat Oud in 1942 een poging deed om de wederopbouw van Rotterdam in de wacht te slepen in een nieuw daglicht te staan.

David Keuning deed zijn onthulling in zijn proefschrift Bouwkunst en de Nieuwe Orde, waarop hij woensdag 5 juli promoveerde aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Vrije Universiteit. De grote architect Oud was lid van de Nederlandsche Kultuurkamer, de overheidsinstantie die tijdens de oorlog werd opgericht om een nationaalsocialistisch cultuurbeleid ten uitvoer te brengen. Oud werd lid op 1 juni 1942 en had ook de bijbehorende ariërverklaring ondertekend, in september kreeg hij zijn voorlopige legitimatie opgestuurd. Ook beeldhouwer J.A. Rädecker, die tekende voor de sculpturen van het Nationaal Monument, was lid van de Kultuurkamer, aldus Keuning. Hij trad op 27
mei 1942 toe en zijn voorlopige legitimatie werd verzonden in oktober dat jaar. “De opdracht voor het Nationaal Monument op de Dam ging dus, bedoeld of onbedoeld, naar twee voormalige leden van de Nederlandsche Kultuurkamer,” concludeert David Keuning in zijn proefschrift. Keuning is redacteur van het Engelstalige architectuurtijdschrift Mark en studeerde bouwkunde aan de Technische Universiteit Delft en journalistiek aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

J.J.P. Oud in circa 1918. Foto: Wikimedia Commons

Zware beschuldigingen
Tot nu toe werd aangenomen dat Oud, een van de nationale kampioenen van het functionalisme en Het Nieuwe Bouwen, geen lid was van de Kultuurkamer. Zijn zoon Hans Oud, ook architect, beweerde in zijn dissertatie J.J.P. Oud, architect 1890-1963, feiten en herinneringen gerangschikt uit 1984 dat zijn vader ‘verschoond van de aanmeldingsplicht voor de Kultuurkamer’ was, omdat hij geen lid was van vakorganisaties als de Bond van Nederlandse Architecten (BNA). Deze redenering werd daarna in brede kring geadopteerd, maar volgens Keuning was het bestuur van de BNA wel degelijk op de hoogte van Ouds lidmaatschap van de Kultuurkamer.
Keuning trof het bewijs daarvoor aan in de cartotheek van de Kultuurkamer, die ondergebracht is bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Deze cartotheek bevat naamkaartjes van duizenden kunstenaars en architecten.
Architect Michiel Polak, overlevende van concentratiekamp Theresienstadt, kwam enige jaren geleden op grond van persoonlijke ervaringen van hemzelf en zijn ouders met Oud en op basis van eigen onderzoek in het archief van de architect bij het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam tot zware beschuldigingen aan het adres van Oud. In het NAi-archief trof Polak vier ontwerpschetsen aan van Oud uit juli 1942 voor het ‘Poortgebouw’ aan de Coolsingel, tegenover het Rotterdamse stadhuis. Met de bombastische architectuur die op deze prenten te zien is, kon Oud volgens Polak alleen maar de bedoeling hebben gehad de nieuwe naziheersers te verleiden hem tot de toonaangevende architect van de Rotterdamse wederopbouw te verkiezen.

Monument op de Dam. Foto: Wikimedia Commons

Bewijzen
Michiel Polak, geboren in 1931, is de zoon van Hans Polak, oprichter-eigenaar van weverij Het Paapje in Voorschoten, met wie Oud voor de oorlog nauw samenwerkte. Als Hans Polak Oud in 1942 benadert met het verzoek om een aanbevelingsbrief, waarmee de Joodse familie Polak kan worden geplaatst op de zogeheten Barneveld-lijst, een selectie van voor de Nederlandse cultuur belangrijke Joden die met hun gezinnen gevrijwaard zouden worden van de naziterreur, weigert Oud elke hulp.
Michiel Polak: “Het antwoord van Oud op het verzoek van mijn vader was: ‘Nee, dat kan ik niet doen. Ik heb goede relaties met verschillende Duitsers.’ Hij dacht als architect te kunnen gaan werken aan het verwoeste Rotterdam: ‘Ik ga Rotterdam herbouwen.’ En dat met een stelligheid die deed denken dat hij toen al zeker van deze zaak was. Mijn vader zweeg, was geschokt en voelde zich vernederd.”
Voor Michiel Polak was dit op latere leeftijd reden op zoek te gaan naar bewijzen voor de collaboratie van Oud, die zichzelf steeds meer was gaan profileren als het geweten van de Nederlandse architectuur. De vier tekeningen van het Poortgebouw overtuigden hem. Deze ontwerpen waren geheel in tegenspraak met alles waarvoor Oud voor de oorlog had gestaan. Polak legde zijn bevindingen voor aan een select gezelschap van kenners van het werk van Oud. Hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, Ed Taverne, noemde de beschuldigingen van Polak ‘ronduit absurd’.

De vondst van Keuning toont aan dat het onderzoek van Taverne wel erg oppervlakkig is geschied

Taverne nam toen naar eigen zeggen wel contact op met voormalig hoofd van het NIOD Hans Blom over Polaks bevindingen. Taverne zei daarover: “Samen met een promovendus heb ik op verzoek van de heer Polak onderzoek gedaan in de daarvoor relevante nationale archieven en wij vonden daar geen enkel spoor die de vermoedens van de Heer Polak staven.” De vondst van Keuning toont aan dat dat onderzoek wel erg oppervlakkig is geschied. David Keuning laat weten dat hij de kaart met de naam van Oud eenvoudig kon opsporen in de cartotheek. “Hij stond gewoon onder de letter O.”
Oud ontwierp niet alleen het Nationaal Monument op de Dam, ook het monument voor de gevallenen op de Grebbeberg is van zijn hand. Wanneer zijn lidmaatschap van de Kultuurkamer bekend zou zijn geweest, had hij deze opdrachten waarschijnlijk niet gekregen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*