Minjan in Dubai

NIW7637_01Door mijn werk als voorlichter van een aantal koepelorganisaties in de internationale diamantindustrie en -handel, reisde ik afgelopen mei naar Dubai. Daar, in de Verenigde Arabische Emiraten, werd het 37e Wereld Diamantcongres gehouden.

Door Ya’akov Almor

Dubai is een miljoenenstad; een soort uit zijn krachten gegroeid Manhattan in de woestijn aan de oostkust van het Arabisch schiereiland. De stad is de laatste tien jaar uitgegroeid tot een van de belangrijkste distributie- en overslagcentra voor voornamelijk ruwe diamant.
De dagen dat Amsterdam en Antwerpen als belangrijkste diamantcentra ter wereld werden beschouwd, van het eind van de 19e tot midden 20e eeuw, zijn voorbij. Antwerpen is weliswaar nog steeds het belangrijkste handelscentrum voor ruwe diamant, maar de stad kent nog nauwelijks enige productiecapaciteit. Echt geslepen wordt er niet meer. In Israël werken minder dan duizend mensen als diamantslijper, in Amsterdam is het een zuiver toeristische aangelegenheid geworden. Tegenwoordig wordt de diamantindustrie en -handel voor 90 procent beheerst door Indiase bedrijven. In India zijn letterlijk miljoenen mensen werkzaam in dit vakgebied.
Onlangs vroeg een vriend me: “Maar ik dacht altijd dat het diamantvak een bij uitstek Joods beroep was?” Dat klopt nog steeds, de presidenten van de diamantbeurzen in Amsterdam, Antwerpen, London, Miami, Milaan, New York, Ramat Gan, Sydney en Singapore zijn Joods en een groot deel van de tienduizenden leden van deze beurzen is Joods.
Terug naar Dubai en naar de welkomstreceptie in een van de luxehotels op het befaamde Palm Island voor de kust. Heren strak in het pak, dames in elegante avondjurken. En ik tel zo zes, zeven hoofden van mannen met baseballpet of panamahoed, voor de incrowd een ‘giveaway’, want je laat het in Dubai wel uit je hoofd om in het openbaar met een keppel op te lopen.
We zijn daarin overigens niet uniek. De chauffeur van de limousine die ons naar het hotel reed, bleek christelijk. Hij vertelde dat er in Dubai geen gebrek aan kerken is voor de grote christelijk-Aziatische gemeenschap die er werkt. Hij en zijn gemeenteleden hebben nog nooit enig probleem ondervonden met de uitoefening van hun godsdienst. “Maar onze – mooie – kerk bevindt zich in het souterrain van een kantoorgebouw en je kunt van buitenaf nergens aan zien dat het een kerk is. Je mag in de openbare ruimte geen kruis of enig ander christelijk symbool tonen.” Op mijn vraag of hij ook een sjoel kent, grijnst hij: “I don’t think so.”

Starry, starry night
Na aan de bar een biertje te hebben besteld, wenkt een collega me naar buiten voor een sigaretje. Ik wil met mijn glas in de hand naar buiten lopen, maar word door een beleefde veiligheidsman tegengehouden. “Sorry meneer, geen alcohol buiten het hotel.”

Ik word door een beleefde veiligheidsman tegengehouden: ‘Sorry meneer, geen alcohol buiten het hotel’

Mijn Australische maat en ik staan rokend te keuvelen als een aantal baseballpetten en panamahoeden naar buiten komt, gevolgd door een paar man zonder hoofddeksel en een veiligheidsagent. Ik herken de directeur van de Diamond Dealers Club of New York, met panamahoed. “Ya’akov, yallah, kom mee, we hebben je nodig, als tiende man! Mincha, ma’ariev, namiddag- en avondgebed, en drie van ons moeten Kaddiesj zeggen.”
De veiligheidsman leidt ons naar een ‘private dining room’ in een restaurant pal naast het hotel. De president van de London Diamond Bourse veroorzaakt nog even verwarring, want waar is het noorden? Maar barst dan los. Door zijn asjkenazische uitspraak en supersnelle uitvoering ben ik al gauw de draad kwijt. Ik stel me wat bescheiden op en sta niet ver van twee diamantaires die ik herken. Een komt uit België, de ander uit Israël. We kijken elkaar af en toe vragend aan. Raadplegen onze horloges.
In het drukke restaurant naast ons neemt een gitarist plaats op een barkruk achter een microfoon. ‘Starry, starry night,’ begint hij. Minjan in Dubai, met livemuziek.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*