Man van de daad

De koppige en pragmatische David Ben-Goerion (1886-1973) was meer dan wie ook de man die begreep hoe een staat moet worden opgebouwd.

In 1906 was het leven van de uit Polen afkomstige landarbeider David Gryn in Palestina, een stoffige, armoedige uithoek van het Ottomaanse rijk, loodzwaar. Hij leed aan malaria; wekenlang had hij koorts, een arts raad de hem aan om Palestina te verlaten op straffe van een voortijdige dood, maar hij weigerde. Gryns bezorgde vader uit Plónsk stuurde hem geld met het verzoek om alsjeblieft terug te keren. Maar nee: ‘Het aannemen van mijn vaders geld,’ schreef hij decennia later, ‘zou verraad hebben betekend van het doel waarvoor ik naar Palestina was ge komen,’ Gryn stuurde het geld terug en bleef, met de koppigheid die zijn hele leven ken merkte.

Wie biografieën over David Ben-Goerion leest – zo noemde hij zichzelf vanaf 1910, naar een van de laatste verdedigers van Jeruzalem in 70 ná – kan niet anders dan bewondering opbrengen voor de vastberadenheid waar mee hij zijn droom najoeg: een land voor de Joden, dat met hard werken letterlijk uit de grond werd gestampt. In een essay uit 1970 schrijft hij dat zijn vrienden hem vaak heb ben beschuldigd van ‘rigiditeit’, die hij zelf ‘een fout in mijn persoonlijkheid’ noemt, maar hij zegt er meteen bij dat hij wist ‘hoe fundamenteel onze historische claim op het land was’. ‘Niemand wilde [Palestina],’ schreef hij in zijn $Memoires$, ‘en zeker niet de Palestijnse Arabieren die armoedig en passief vegeteerden onder het bewind van de Turken. (…) Niemand [kon] deze plek iets schelen. Het stond iedereen vrij om te komen en iets nieuws te beginnen.’ Dat was de rechtvaardiging: de nieuwkomers hadden niet alleen historische rechten, ze hadden ‘de plicht om de leegte vullen’, om een land te bebouwen dat eeuwenlang verwaarloosd was.

Zionisme

Twijfelen deed Ben-Goerion – op 1 december overleed hij veertig jaar geleden – nooit. Hij werd in 1886 geboren in het Poolse Plónsk, grootgebracht op een geestelijk dieet van zionisme en vrijdenkerij, maar hij vertrok in 1906 niet vanwege antisemitisme naar Palestina – dat was in Plónsk opvallend afwezig – maar uit zuiver idealisme. Begonnen als sinaasappelplukker en mestrijder belandde hij al snel in journalistieke en politieke kringen, die hem uiteindelijk naar de politieke macht voerden. Hij was medeoprichter van Hashomer, de zelfverdedigingsgroepen die, via het tussenstation van de Haganah, de groeikernen waren van de latere IDF. Lange tijd vestigde Ben-Goerion zijn hoop op de Turken, maar hij koos tijdens de Eerste Wereldoorlog pragmatisch voor de Britten, terwijl hij tegelijkertijd werkte aan de illegale immigratie van duizenden Europese Joden. Zijn koppigheid ging altijd samen met waakzaamheid; toen de Joodse intelligentsia buiten zichzelf van vreugde was over de Balfour Verklaring van 1917 noemde Ben-Goerion die ‘een fantastisch gebaar’ van de Britten, ‘maar alleen het Hebreeuwse volk kan dit [bestaansrecht] in een tastbaar feit veranderen (…) met bloed en ziel (…) nationale verlossing brengen’. Toen het VN-verdelingsplan in 1947 werd goedgekeurd en de massa’s dansten in de straten van Jaffa en Tel Aviv, wist hij dat dat oorlog met de Arabieren zou betekenen.

Ben-Goerion werd de leider van de voorloper van de Arbeidpartij, in 1920 oprichter en secretaris-generaal van de Histadroet (de krachtige vakbond) en voorzitter van de Jewish Agency (1935-1948), en was daarmee al ruim voor 1948 de machtigste man in het Joodse Palestina; hij moest zowel de Britten als de Arabieren – onder leiding van de nazistische grootmoefti Hoesseini – bestrijden, en desnoods ook revisionisten en wildebrassen die de eenheid van de jonge Joodse staat – waarvan hij van 1948-1963 met een pauze van twee jaar de eerste respectievelijk derde premier was – dreigden te verstoren (denk aan het Altalena-incident).

Tegelijkertijd was Ben-Goerion altijd voorvechter van gelijke rechten voor Arabieren en hij begreep als geen ander de sterke hechting van de Palestijnen aan hun land. Hij wees keer op keer op de historische vredelievendheid van het Joodse volk, maar hij was geen pacifist: als er hard moest worden opgetreden (tegen terreur vanuit de Gazastrook of Syrië) aarzelde hij niet en hij was bijna bezeten door het idee dat Israël kernwapens moest hebben. Hij was de (mede)schepper van vele nationale instituties (leger, parlementair stelsel, ontwikkeling van de Negev, Operatie Magisch Tapijt), gaf opdracht om Eichmann te ontvoeren en accepteerde Duitse herstelbetalingen ondanks de vele verwijten dat de Duitsers daarmee vergiffenis kregen.

‘Woorden zonder daden zijn niets,’ zei hij altijd, en ‘Men moet de weg tonen door voorbeelden te geven.’ Hij was een vechter en doener die op zijn 70e nog de fysieke conditie van een 50-jarige had, maar ook een denker, een filosoof met belangstelling voor het boeddhisme. Zijn rol bij het ontstaan van de Joodse staat valt eigenlijk niet te relativeren. De Joden moesten voor hem ‘een lichtbaken voor de naties’ zijn, maar hijzelf was hét lichtbaken van het Joodse project.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*