Leven met de vijand

Screen shot 2013-06-20 at 14.15.32De Duitse Barbara Beuys schreef een mooi boek over Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog en het lot van de Nederlandse Joden. Maar waarom schrijven Nederlanders dit soort overzichtswerken nooit?

Soms herkennen Joden die, bezorgd over het lot van gevangen verwanten, naar de versperringen rond de Hollandsche Schouwburg toekomen, in een van de passerende volgepakte trams familieleden of zelfs gezinsleden, en als vrouwen zich dan ‘het haar uit het hoofd trekken van angst en machteloosheid’ slaan Duitse militairen zich ‘op de dijen’ van het lachen – leedvermaak dat je na lezing van Leven met de vijand, Amsterdam onder Duitse bezetting 1940-1945 pijnlijk bijblijft. De Duitse historica Barbara Beuys schreef een breed panorama over Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarin speelt, onvermijdelijk, de Jodenvervolging een hoofdrol, en daarmee is het boek tevens een verhaal over het lot van het Nederlandse jodendom, ook omdat de Joden zich van de Duitse bezetters in Amsterdam moesten concentreren– hun meedogenloze bedoelingen werden pas later duidelijk. De eerste zestig bladzijden wijdt Beuys aan een vogelvlucht over de jaren 1875-1940, knappe pagina’s die de politieke en culturele achtergrond van Amsterdam beknopt en toch gedetailleerd neerzetten, misschien niet allemaal opzienbarend, maar voor de niet-specialist zeer informatief . Daar is bijvoorbeeld een korte historie van de verzuiling, die in 1879 begon met Abraham Kuypers leuze ‘Soevereiniteit in eigen kring’, mooi compact verteld, en de beschrijving van de komst van Duits-Joodse vluchtelingen naar Amsterdam, die in de jaren 39 neerstreken in de Rivierenbuurt en het gebied rond de Beethovenstraat en niet altijd even enthousiast waren over het gastland. Beuys gaat terug tot 1597, toen de koopman Emanuel Rodrigues Vega vanuit Portugal naar Amsterdam kwam en voor acht gulden het burgerrecht kocht, de eerste Jood die zich aan de Amstel vestigde. Het jodendom werd door de calvinisten hoog aangeslagen, omdat de gereformeerde theologie diepe wortels had in de Hebreeuwse Bijbel. Zakeninstinct en religieuze sympathie zorgden voor een vruchtbare samenwerking – de Joden hadden hun eindelijk ‘Europese Jeruzalem’ gevonden.

Chaotisch

Het eerste jaar van de bezetting wordt knap beschreven: de verwarring van de begindagen met de chaotische scènes in IJmuiden, waar mensen de laatste schepen naar Engeland probeerden te halen, doorgaans tevergeefs; de zelfmoorden van Joodse families die geen illusies hadden over wat er ging gebeuren; de niet-Joodse Nederlanders die zich snel aanpasten omdat de Duitsers zich, ondersteund door een onderdanig en gewillig Nederlands bestuur, aanvankelijk mild opstelden – economisch ging het de eerste jaren dankzij Duitse opdrachten voor de industrie zelfs beter dan voor de oorlog. Maar de bezetters lieten al snel hun ware aard zien, toen de ‘wetten’ die het Joodse leven beperkten een draconisch karakter kregen. Na de Februaristaking van 1941 was het gedaan met alle illusies over de Duitse bedoelingen. Beuys presenteert een gedetailleerd tijdsbeeld, waarbij ze het juiste midden houdt tussen betrokken sfeertekening en enige historisch-beschrijvende afstand. Het is opvallend dat een buitenlandse auteur dit kan – de gebeurtenissen zo beschrijven dat het lijkt alsof er een Nederlander aan het woord is; ze is vertrouwd met de locaties en kent de kaart uit haar hoofd. Vijf jaar samenvatten in 300 bladzijden is moeilijk, maar Beuys ziet toch weinig over het hoofd: de heldendaden van Walraven van Hall (de onvermoeibare financier van het verzet), Gerrit van der Veen (het brein achter de overval op het Amsterdamse bevolkingsregister) en Walter Süskind (de contactpersoon van de Joodse Raad die verantwoordelijk was voor de gang van zaken in de Hollandsche Schouwburg, eerst doorvoercentrum en vanaf november 1942 een ‘mensenreservoir’). We maken kennis met de huiveringwekkende efficiency van Willy Lages (hoofd van de Sicherheitsdienst in Amsterdam), Hauptsturmführer Aus der Fünten (verantwoordelijk voor de praktische uitvoering van de Joodse ‘emigratie’) en hoofdcommissaris Tulp, de collaborerende hoogste politiecommandant van Amsterdam. Uitvoeriger wordt het leven van de grote Joodse wethouder Monne de Miranda beschreven, een specimen van succes en assimilatie (die je bij socialistische Joden bij uitstek zag), maar dat hielp hem niet om te ontsnappen aan een treurig lot.

Verduiveld

De Joden werden, toen het vrijwillige melden voor de Arbeitseinsatz al snel niet meer ‘werkte’, met meer of minder geweld van huis gehaald, vaak door Nederlandse politieagenten. Dat was een verduiveld slimme aanpak van de Duitsers. Juist door de relatieve vriendelijkheid en vertrouwdheid van die Amsterdamse functionarissen kregen de Amsterdamse Joden de indruk dat het allemaal misschien wel meeviel: als Nederlanders hieraan meewerkten kon het toch zo erg niet zijn? En de politie werkte mee, zonder veel enthousiasme, maar het kwam zelden tot dienstweigering, zo zelden dat we het meest saillante voorbeeld bij naam kennen: de jurist Jan van den Oever, die in september 1942 weigerde aan deportaties mee te werken en daarom werd ontslagen – maar iets ergers gebeurde er niet met hem. Wat het dan zo moeilijk om dienst te weigeren? Relevant voor de huidige debatten over Van der Booms Wij weten niets van hun lot is het om nog eens te lezen dat Radio Oranje de gaskamers al op 29 juli 1942 noemde. Er is een scène waarin een uit haar huis gehaalde vrouw, een mevrouw Kleijnkramer, te midden van een algehele stilte schreeuwt: ‘We worden vergast, we worden vergast!’ en niemand haar tegenspreekt. Het is dan zomer 1942. Beuys somt de kille cijfers nog eens op – overbekend misschien, maar ze wennen nooit. Het eerste transport vanuit Amsterdam naar Westerbork was op 14 juli 1942, en drie dagen later kwamen de eerste Joden in Auschwitz aan. De laatste grote razzia was op 29 september 1943: alles bijeen was de massamoord dus in veertien maanden grotendeels voltooid; van oktober 1943 tot juli 1944 werden nog maar 6600 Joden opgespoord en afgevoerd. In mei 1945 zijn er van de 140.000 Joden die in mei 1940 nog in Nederland waren 102.000 vermoord; slechts 5000 gedeporteerden overleefden de vernietigingsmachine. Vanuit Westerbork gingen met 93 transporten in totaal 57.552 Joden naar Auschwitz (854 keerden terug), 34.313 naar Sobibor (19 kwamen terug), 4897 naar Theresienstadt (2053 overlevenden) en 3724 naar Bergen Belsen (2050 overlevenden).

Overzichtswerken

Dit is een leerzaam en belangrijk boek. Mijn sympathie ervoor verraadt wel een zekere partijdigheid, die ik kort wil toelichten. Dit type vlot geschreven, niet te dikke overzichtswerken schrijven Nederlanders niet zo vaak. Geert Maks boek over de historie van Amsterdam, Een kleine geschiedenis van Am- sterdam, is een van de weinige geslaagde voorbeelden. Verder vinden we over Amsterdam en de oorlog vele meerdelige geschiedenissen (De Jong, Presser) maar dat is een ander genre, terwijl Ad van Liempts De Oorlog (2010) nader beschouwd nogal caleidoscopisch van aard is. Verder vinden we detailstudies die niet de drang naar een in twee avonden door te nemen ‘vogelvlucht’ bevredigen, voor lezers die zich globaal oriënteren en daarna kunnen overstappen op specialistischer werk. En waar is, nu we het er toch over hebben, die vlot geschreven ‘Beuysiaanse’ geschiedenis van het Nederlandse jodendom? Jacques Gans’ onvervangbare Memorboek is een monument in zijn soort, maar het is een platenatlas, met de specifieke voor- en nadelen ervan: een schat aan details, maar fragmentarisch en zonder inhoudsopgave. De fameuze Pinkas is een dik leerboek, uit het Hebreeuws vertaald, en voor een flink deel een lexicon. We vinden verder verzamelbundels met artikelen van verschillende auteurs (wij pleiten hier voor een boek van één auteur), zoals De geschiedenis van de Joden in Nederland onder redactie van Blom, Fuks-Mansfeld en Schöffer (1995) of verhalen over specifieke regio’s en steden. Het enige boek dat lijkt te voldoen aan de eis van compact overzicht is L. Abichts Geschiedenis van de Joden van de Lage Landen (2006), maar dat is nogal academisch geschreven, en weer door een buitenlander, een Belg. Het lijkt soms alsof Nederlanders bang zijn voor ‘de grote greep’; ze komen liever met specialistische deelgeschiedenissen, voorzien van nederige inleidingen met zwaartillende methodologische mitsen en maren, en dat geldt niet alleen op dit terrein. Dé geschiedenis van de Nederlandse Gouden Eeuw en de eeuwen ervoor en erna lijkt te zijn geschreven door de Brit Jonathan Israël.

Tegenvoorbeelden

David Wertheim van het Israel Ben Menasse Instituut meldt desgevraagd in een e-mail dat hij het niet met mijn suggestie over ontbrekende overzichtswerken eens is. Hij wijst op de bundel van Blom, de Pinkas en op Abicht – voor hem zijn dat goede voorbeelden. ‘Dus ik kan helaas geen stukje voor je conclusie schrijven’. Annemiek Gringold, van de Hollandsche Schouwburg wijst op nog een Duitse auteur, Gerhard Hirschfeld, met zijn in 1991 vertaalde Bezetting en collaboratie, Nederland tijdens de oorlogsjaren, en op de Brit Bob Moore, die het toegankelijke overzichtswerk schreef Slachtoffers en overlevenden. De nazi-vervolging van de Joden in Nederland (1998) – weer twee buitenlanders dus. ‘Studenten die in de Hollandsche Schouwburg een stage willen lopen krijgen deze titel op een boekenlijst ter voorbereiding van de stage,’ schrijft ze. Ook Gringold ziet Pinkas vooral als een naslagwerk. Beuys’ boek is dus, tot nader order, een van de zeldzame voorbeelden van hoe het kan. Eigenlijk is het een plagerige uitdaging aan het adres van haar Nederlandse collega’s. Waarom hebben die hun terrein gedeeltelijk braak laten liggen?

■ Barbara Beuys, Leven met de vijand, Amsterdam onder Duitse bezetting 1940-1945, uitgeverij Cossee, 329 pgs., € 24,90.