Kunsjt: Gekken en dwazen

De graffiti-artiest Basquiat had een fascinatie voor Mozes; die nam het ook niet zo nauw met schone deuren en muren.

Ik had een schoolvriend die muren bekladde. In de pauzes ging hij gewapend met spuitbussen en dikke stiften de wanden rond het schoolplein af om zijn tags en pieces te bomben; je naam achterlaten om je territorium af te bakenen, als een hond die zijn plasje tegen een lantaarnpaal doet. En hoewel ik riskeerde voor wack uitgemaakt te worden, vond ik graffiti toen al stom.

Nog steeds erger ik me eraan. Je kunt aan de hoeveelheid bekliederde muren de verloedering van een buurt aflezen, het is letterlijk een teken aan de wand. Bovendien zijn de kreten meestal betekenisloos en onleesbaar. Als je dan zo nodig je ei kwijt moet op andermans muren, zorg dan tenminste voor een duidelijke typografie, zou ik zeggen. Maar ja, gekken en dwazen schrijven hun namen op muren en glazen.

Dat dat niet altijd zo hoeft te zijn, bewees de New Yorkse schilder Jean-Michel Basquiat (1960-1988). Zoon van Haïtiaanse en Puerto Ricaanse immigranten in New York, stevig geworteld in de punkscene van de jaren zeventig, was hij de posterboy van de tegencultuur. De metro’s en muren van de Lower East Side waren zijn canvas. Toen hij een relatie kreeg met Madonna en door Andy Warhol op het schild werd gehesen als next big thing in de kunstwereld, verruilde hij die tegencultuur voor het establishment. In plaats van op straat exposeerde hij in chique galeries, maar hij bleef het prototype getergde kunstenaar, met veel drank, drugs en andere problemen.

Zijn werk is intellectueler dan je op het eerste gezicht zou denken. Kijk bijvoorbeeld naar Moses and the Egyptians (1982). Zoals al Basquiats schilderijen is het een groot doek, maar rustiger van compositie dan de meeste: geen collageachtige wirwar van symbolen en figuren, maar een symmetrisch beeld waarin we de stenen tafelen des verbonds herkennen, of zo u wilt, een McDonald’s-logo. Links staat vijf keer ‘Moses’, met daaronder de woorden ‘Isreallites’ en ‘Eygyptians’ – spelling was duidelijk niet Basquiats sterkste kant. Rechts nog eens ‘Moses’, omkaderd, met daaronder een aantal van diens wapenfeiten: de ‘staf wordt slang-truc’, de ‘lepratruc’, ‘water wordt bloed’, ‘vliegen’, ‘kikkers’, om samenvattend af te sluiten met: ‘tien plagen’. Ik snap wel waarom de graffiti-artiest Basquiat een fascinatie voor Mozes had; die nam het immers ook niet zo nauw met schone deuren en muren. Als hoveling van de farao was hij omringd geweest door hiërogliefen, later droeg hij een heel volk op om zijn deurposten met bloed te besmeuren (Exodus 12:7).

Het bebaarde gezicht en profile met ‘Egyptisch’ oog, midden in het schilderij, is nageschilderd van het omslag van een uitgave uit 1967 van Sigmund Freuds controversiële bundel Der Mann Moses und die monotheistische Religion (1939), die de inspiratie voor dit doek lijkt. Freud beweert hierin dat Mozes niet Joods was maar Egyptisch en bovendien de Israëlieten nooit had bevrijd. Ook Basquiats connectie met Freud lijkt niet uit de lucht gegrepen. Die zou in Baquiats schilderijen, met hun spontane en associatieve karakter, een manifestatie van het onderbewuste hebben gezien. De dooddoener ‘dat kan mijn zoontje van drie ook’, die Basquiat ongetwijfeld vaak gehoord heeft, zou voor Freud een aanbeveling zijn geweest.

Soms is graffiti dus meer dan een plasje tegen een lantaarnpaal. Toch vraag ik me af of Jean-Michel Basquiat niet beter af was geweest als hij lekker op straat was blijven schilderen in plaats van tot wereldster gebombardeerd te worden. Die druk kon hij niet aan en op 27-jarige leeftijd stierf hij aan een drugsoverdosis. Met mijn kliederende schoolvriend is het gelukkig wél goed gekomen, hij is tegenwoordig een succesvol kunstenaar. Gelukkig niet te succesvol, misschien was ook hij dan aan zijn roem ten onder gegaan.

De tentoonstelling ‘Basquiat, the Artist and his New York Scene’, is tot en met 2 juni te zien in Museum Schunck in Heerlen

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*