Kunsjt: De verdwenen meester

Weet u het nog? In 2012 werd kunstminnend Nederland opgeschrikt door de grootste kunstroof uit de recente geschiedenis. Zeven schilderijen, samen ruim 17 miljoen waard, waren kinderlijk eenvoudig uit de Rotterdamse Kunsthal meegenomen. Onder meer een Picasso, een Matisse en twee Monets. En, met de dubieuze eer om in dit rijtje aan te schuiven: een zelfportret van Meijer de Haan (1852-1895).

Ik heb altijd een zwak gehad voor De Haan, toch een beetje de Joodse Vincent van Gogh. Niet alleen vanwege zijn rode baard en ontembare karakter, net als Van Gogh maakte De Haan, telg uit een Amsterdamse matsebakkersfamilie, een stormachtige artistieke ontwikkeling door van donkerbruine Hollandse tafereeltjes naar een sprankelend palet in Frankrijk. Bovendien waren De Haan en Van Gogh vrienden en stierven ze beiden jong en miskend.

Toen de gebochelde Meijer de Haan in 1888 in Parijs arriveerde woonde hij enige tijd met een leerling in bij Theo van Gogh, Vincents broer en mecenas. Die schreef over zijn kostgangers aan zijn zus: “Beiden zijn Joden, maar van een soort dat je waarschijnlijk nog niet kent; voor mij is het iets totaal nieuws, ik had nooit gedacht dat zulke mensen bestonden. (…) In Bijbelse termen is het alsof zij door het Nieuwe Testament heen zijn gegaan en al het menselijke en het goede uit het oude en het nieuwe hebben gevonden. (…) Als zoiets mogelijk was, zou je ze christen-Joden kunnen noemen.”

Door de Tachtigers werd het schilderij neergesabeld. Maar wat veel erger was: de Joodse pers zweeg in alle talen

Het gestolen zelfportret, in 2009 nog het affiche van de JHM-tentoonstelling ‘De verborgen meester’, is niet het enige verdwenen schilderij van De Haan. Zijn magnum opus, Uriël Acosta, is ondanks zijn afmetingen van 2,5 bij 4 meter al ruim een eeuw kwijt en heeft daardoor een haast mythische status gekregen.

Bijna acht jaar werkte De Haan aan het doek, dat als onderwerp nog zo’n ‘christen-Jood’ heeft. De vrijdenker Uriël Acosta, een voorloper van Spinoza, was in 1612 als Portugese maraan naar Amsterdam gevlucht. Hier omarmde hij zijn jodendom en ontwikkelde revolutionaire ideeën over de sterfelijkheid van de ziel en het auteurschap van de Tora. Meerdere malen werd hij uit de gemeenschap verbannen en hij bekeerde zich weer tot het christendom. Hij kwam uiteindelijk in 1640 tot inkeer, maar mocht volgens de overlevering pas terugkeren tot de kehilla na een publieke vernedering: 39 zweepslagen, waarna hij voor de ingang van de synagoge moest gaan liggen, zodat de voltallige Sefardische gemeente over hem heen kon stappen. Zo gezegd zo gedaan, maar na een paar dagen, die hij gebruikte om zijn memoires neer te pennen, kon Acosta de schande niet aan en schoot hij zich door het hoofd.

Eind negentiende eeuw ontstond een ware Acosta-rage. Door heel Europa verschenen schilderijen, boeken en toneelstukken over hem. Het verhaal moet ook Meijer de Haan enorm hebben aangesproken, misschien identificeerde hij zich met Uriël Acosta. Beiden waren zoekers, in religieuze en maatschappelijke zin. Net als Acosta was De Haan fundamenteel ontevreden over de burgerlijke Nederlandse samenleving van zijn tijd. Hij beeldde de sleutelscène af waarin Acosta deemoedig voor de rabbinale rechtbank staat.

De Haans zelfbenoemde meesterwerk werd gemengd ontvangen. Gezaghebbende critici als Joseph Alberdingk Thijm waren enthousiast en vergeleken De Haan zelfs met Rembrandt. Alleen in De Nieuwe Gids, spreekbuis van de literaire groep de Tachtigers, werd het schilderij neergesabeld. Maar wat veel erger was: de Joodse pers zweeg in alle talen. Terwijl Meijer de Haan zich tot dan toe bij uitstek had gepresenteerd als schilder van het Joodse leven, veel meer dan bijvoorbeeld Jozef Israëls, werd hij door de Joodse bladen, inclusief het NIW, volledig genegeerd. Dit was voor De Haan het signaal dat hij in het bedompte Holland niets te zoeken had. Datzelfde jaar nog zette hij teleurgesteld koers naar Parijs.

Het is wat laat, maar ik wil graag namens het NIW alsnog mijn excuses aanbieden voor die nalatigheid van 130 jaar geleden. Sorry, Meijer. Ik hoop dat deze column de schoffering alsnog een beetje goedmaakt