Kugel met peren en bruine bonen met rijst

Vanaf je vijftigste doe je er als vrouw niet meer toe. Daarover gaat de voorstelling Foute Sarahs waarin Heddy Lester een hoofdrol speelt. Heddy is 62 en doet er nog heel erg toe. In gesprek met een theaterbeest over Joden, Surinamers en vrouwen. 

We noemen het één keer en daarna hebben we het er niet meer over, over ‘De mallemolen’. Heddy Lester werd er wereldberoemd in Nederland mee toen ze het in 1977 op het Eurovisie Songfestival zong. Maar zingen deed ze al lang daarvoor, bijvoorbeeld in het duo April Shower met Gert Balke, maar ook met Ramses Shaffy, die ze in de nachtclub van haar vader ontmoette. Ze speelde in talloze theatervoorstellingen, fi lms en musicals en staat tot op de dag van vandaag op het podium. De muziek kreeg ze van huis uit mee. Haar moeder zong, onder meer bij Toon Hermans en Gerard Walden, en haar vader runde restaurants en nachtclubs. „Ik wilde ook zingen, net als mijn moeder, al vanaf heel jong. Ik wist eigenlijk niet wat ik anders moest doen. Het begon met schoolfeestjes en op mijn achttiende kwam ik in clubs terecht, en van daaruit ben ik de wereld over geweest.” Haar vader opende de legendarische salsaclub Iboya, in de Lange Leidse Dwarsstraat in Amsterdam, een van de eerste salsaclubs van Amsterdam. „Hij opende het voor Frank (Heddy’s broer: zanger, theaterproducent en componist Frank Affolter) en mij, omdat we artiesten waren. Dan hadden we iets om op terug te vallen.” Zo’n vader, daar moet je het van hebben. „Het eerste wat hij deed, nog voordat hij de club ging verbouwen, was twee vleugels kopen.” Het is tekenend voor een liefdevol gezin, vol humor en muziek. En dat met twee kampoverlevenden als ouders. „Mijn ouders riepen altijd: ‘Toekomst, toekomst! Morgen weer een dag en als de zon maar schijnt. Pak het leven!’” Toch is het de oorlog die alsmaar weer opduikt in het gesprek.

Oorlog
Heddy’s ouders ontmoetten elkaar in Kamp Vught, in het washok. „Ze waren zeventien, en een beetje verliefderig.” Na de oorlog komen de twee elkaar weer tegen, in het Sarphatipark in Amsterdam. „Ze dachten van elkaar dat ze dood waren. Toen zijn ze getrouwd. Mijn moeder was alles kwijt en had het heel moeilijk. Mijn vader was heel sterk en heeft haar erdoorheen gesleept. Vermoedelijk is hij haar redding geweest. Anders was ze misschien verkeerd terechtgekomen. Hij heeft haar sterk gemaakt, maar hij is zelf met de oorlog blijven zitten. Hij was geen Jood, hij zat daar als politiek gevangene. Hij had een enorm schuldgevoel dat hij terug was gekomen.” Haar moeder werd doorgestuurd naar Westerbork, Ravensbruck en Bergen-Belsen. In 1987 speelde Heddy met Toneelgroep De Appel in Ghetto van de Israëlische schrijver Joshua Sobol, over een zangeres die voor de SS-ers in een kamp zingt en zo weet te overleven. „Het was wat mijn moeder ongeveer in het echt meemaakte in het kamp, en dat heb ik op het toneel gezet.” Het was in die periode dat ze voor het eerst echt met haar moeder over de oorlog sprak. „Mijn moeder sprak bijna niet over haar kampverleden, maar ze riep wel rustig uit de keuken, als ze andijviestamppot stond te maken: ‘Dit doet me aan het kamp denken!’ En dan zei ik: ‘Nou, dan zou ik het niet eten.’ En dan zei zij: ‘Waarom niet? Het is toch lekker?’

Lees verder in NIW 25