Kristallnacht

Ze was zestien, een jonge blom uit Berlijn, met mooie dromen. Ze wilde naar de kunstacademie maar moest van school af. Omdat ze een Jodin was. Uschi Rubinstein ging werken in een hoedenwinkel. Ze werd opgeleid tot hoedenmaakster en etaleur en woonde in de Oranienburger Strasse, vlak bij de synagoge. Berlijn was een stad van bohemiens en vrijdenkers, een fijne stad waar het voor Joden lang goed toeven was geweest. Ze zaten in de filmindustrie, de confectie. Berlijn was niet ‘braun’. Maar de dreigende toekomst kondigde zich al enige tijd aan. Vooral de laatste weken was de sfeer bedrukt geweest, er stond iets te gebeuren; je voelde het komen. Naar de bioscoop ging ze al niet meer. Dat had ook met haar uiterlijk te maken: donker, en dan was je een Jodin of een zigeunerin. Alleen in de opera kon ze zich nog af en toe vertonen. Tram en bus waren ook verboden terrein geworden. Steeds vaker kwam weer zo’n stel jongetjes in uniform binnen, die dan brulden ‘Juden raus’. Ze maakte dan bij de volgende halte dat ze wegkwam. Omdat ze een Jodin was.
Kristallnacht duurde niet langer dan een nacht. Zijzelf werd er pas in de ochtend, rond een uur of acht, mee geconfronteerd. Ze ging die dag gewoon naar haar werk, zoals iedereen deed, ook Joden. Op naar de hoedenwinkel, waar ze binnen hoorde hoe buiten de antisemitische kreten tegen de gevels weerkaatsten. Ook ‘haar’ hoedenwinkel, gerund door Joodse eigenaren, moest het ontgelden. Toen het rumoer te dichtbij kwam, verstopte ze zich in de kelder. Daar hoorde ze even later hoe boven de ruiten inkinkelden en de boel kort en klein werd geslagen. Aan het geluid van rinkelend glas dankt Kristallnacht zijn naam.
De hoedenwinkel stond niet op zichzelf: tijdens deze pogrom werden 267 synagogen verbrand, 7500 winkels vernield en 92 Joden vermoord. Uschi zat in die kelder, twee uur lang. Of ze angst had gevoeld? Ach, ze was niet zo bang aangelegd. Ze had uiteindelijk gehoord hoe alles stil werd, was uit de kelder gekomen en naar huis gegaan. Het huis waar ze altijd langs die conciërge in nazipak moest, hij met die enge hond. Dat vond ze iedere keer weer vervelend.
Thuis wachtte ze op haar familie: moeder en twee oudere zussen: ‘Ik was een sleutelkind.’ Haar vader was al op haar zesde overleden, haar oudere broer al jaren daarvoor naar Argentinië vertrokken. Na Kristallnacht wist haar oudere zus dat ze weg moesten uit Berlijn. In december zijn ze in Zuid-Nederland de grens overgestoken en ze kwamen uiteindelijk terecht in Amsterdam, de eerste nacht in een hoerenkeet, maar met een gebarricadeerde deur had ze best geslapen. Kristallnacht zelf heeft ze niet als bijzonder traumatisch ervaren. Maar zij is wel een van de weinigen die dat ijkpunt in de geschiedenis aan den lijve heeft ondervonden en er nog over kan vertellen. Daarom was Ushi Rubinstein eregast tijdens de Kristallnachtherdenking woensdag in de Esnoga. Haar verhaal is dat van een jong meisje dat de dans ontsprong, de dans die anderen haar hadden willen laten meemaken. Omdat ze een Jodin was. Ze zat tijdens de oorlog ondergedoken. Haar vriend vervalste persoonsbewijzen, zij was koerierster. Uiteindelijk is ze schilderes geworden, in Amsterdam, waar ze na de oorlog niet meer wegging. Maar alleen een sterke persoonlijkheid als zij kan zeggen: „Mijn liefde voor Berlijn is gebleven.”

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*