Joods Nederland reageert

De aanslag in Toulouse zorgt voor een schok in Joods Nederlands en plaatst vraagstukken rondom de beveiliging van Joodse instellingen weer boven aan de agenda.

Auteur: Maurice Swirc

“We zijn diep geschokt door deze laffe daad. Ik ben ervan overtuigd dat het ook voor Nederland een wake-up call is,” zegt Dennis Mok, voorzitter van de Joodse beveiligingsorganisatie Bij Leven en Welzijn op dinsdag, een dag na de moordpartij. „Uiteraard hebben we direct contact opgenomen met vertegenwoordigers van de rijksoverheid met het verzoek om het dreigingsniveau voor Joodse instellingen te verhogen. Minister Opstelten zag daartoe echter geen aanleiding, naar ons oordeel zeer ten onrechte.”
Wanneer een dergelijk besluit wel wordt genomen, houdt dit automatisch extra verplichtingen in voor lokale overheden, die in het kader van hun verantwoordelijkheid voor de openbare orde maatregelen moeten treffen en daar ook de kosten voor dragen, schetst Mok. „Er is heel duidelijk een verschil in perceptie bij de rijksoverheid en bij de Joodse gemeenschap. Dat wordt op een dag als deze opnieuw pijnlijk duidelijk,” zegt Mok. „Ik kan me voorstellen dat de overheid uiteindelijk toch zal inzien dat het dreigingsniveau dat we als gemeenschap voelen niet onterecht is. En dat deze aanslag in Toulouse ervoor zorgt dat de politiek zich meer van het probleem bewust wordt. Dan zal het ongetwijfeld opnieuw bij de minister terechtkomen.” Een dag later, als duidelijk is dat het gaat om een terroristische aanslag van moslimfundamentalistische signatuur, is het dreigingsniveau nog steeds niet verhoogd, meldt Mok. „Vanavond heb ik opnieuw overleg en wellicht dat er dan iets verandert.”
„Wat hier is gebeurd is een ongekende tragedie,” reageert CIDI-directeur Ronnie Naftaniel. „Het maakt duidelijk dat ook kinderen niet veilig zijn voor terroristen. Het bevestigt dat Joodse instellingen optimaal beveiligd moeten zijn, maar niet meer dan dat. Ik deel niet automatisch de opinie dat er nog meer beveiliging moet komen. Eerst moet zorgvuldig worden onderzocht wat er precies is gebeurd in Toulouse. Als Joods zijn bijna automatisch gepaard gaat met politiële aanwezigheid, word je een bijzondere factor in de samenleving. Dat moet je niet willen.”

Overheidstaak 

Intussen treft de gemeente Amsterdam, in samenspraak met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, in reactie op de moordaanslag in Toulouse uit eigen beweging extra maatregelen. „In het algemeen zijn onze scholen goed beveiligd, maar er is nu onder andere extra politie-inzet bij scholen. Verder geven we het advies aan ouders om niet te lang voor de ingang van Joodse scholen te blijven hangen.”
Waar in Frankrijk de beveiliging van Joodse instellingen een taak van de overheid is, moet de Joodse gemeenschap in Nederland beveiligingskosten in belangrijke mate zelf dragen. Vorig jaar zomer bleek uit onderzoek van het NIW dat het gaat om een bedrag van ongeveer800.000 euro per jaar. Het bestuur van het Amsterdamse Stadsdeel- Zuid besloot vorig jaar om een jaarlijks 140.000 euro ter beschikking te stellen voor beveiliging van Joodse instellingen. Stadsdeelvoorzitter Paul Slettenhaar (VVD) gaf toen aan dat de gemeente Amsterdam en de Rijksoverheid meer moesten doen. Ook burgemeester Van der Laan maakte zich sterk voor financiële steun. De gemeente besloot vervolgens om 200.000 euro ter beschikking te stellen, wat overigens niet uitsluitend bestemd is voor Joodse instellingen.

Voorbeeld 

In een brief aan de Tweede Kamer van eerder deze maand bevestigt minister Opstelten (VVD) van Veiligheid en Justitie zijn standpunt dat hij de beveiliging van Joodse gebouwen beschouwt als een taak van gemeenten en niet van de rijksoverheid.
„We zijn natuurlijk dankbaar voor dat bedrag van 200.000 euro, maar dat moet wat ons betreft een structureel karakter hebben,” zegt Willem Koster, voorzitter van het Centraal Joods Overleg en voorzitter van het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom. „Wat dat betreft kan de Nederlandse overheid een voorbeeld nemen aan Fransen die de beveiliging wel op centraal overheidsniveau regelen. Tegelijkertijd maakt de aanslag in Toulouse duidelijk dat het heel lastig is om je tegen dit soort aanslagen te beveiligen. We zijn kwetsbaar als Joodse gemeenschap. Hoe dan ook mag het Rijk de verantwoordelijkheid niet afschuiven op gemeenten. Daarover zullen we minister Opstelten zeker opnieuw benaderen.”

Het is zó afschuwelijk wat hier is gebeurd, in de allereerste plaats voor de nabestaanden,” reageert Jaap Hartog, voorzitter van het Nederlands Israëlietisch Kerkgenootschap (NIK).„Die kinderen, wat hadden die misdaan? Het is niet in woorden uit te drukken hoe vreselijk dit is.” Het NIK en het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom toonden deze week hun medeleven in respectievelijk een openbare verklaring en in een brief aan de Joodse instellingen in Toulouse.
NIHS-rabbijn Eliezer Wolff blijkt wel heel direct verbonden met de gebeurtenissen in Toulouse. Eind jaren 90 gaf hij gedurende enkele jaren dagelijks talmoedles aan de Ozar Hatorah-school. „Dit zijn heel zware dagen, voor iedereen in Toulouse. Tegelijkertijd zie je dat sprake is van een ongekende solidariteit in Franse samenleving als geheel.” Wolff vertelt met emotie in zijn stem dat hij ook les gaf aan Jonathan Sandler, de vermoorde rabbijn, in de laatste twee jaren tot aan diens eindexamen.„Het was zo’n ontzettend aardige jongen. Iedereen mocht hem, zowel de leraren als de leerlingen. Hij was een beetje verlegen en tegelijkertijd iemand die altijd klaar stond om anderen te helpen.” Wolff staat dezer dagen in nauw contact met zijn opvolger en de directeur van de school. „Mensen verkeren in shocktoestand maar ervaren een diepgeworteld solidariteitsgevoel.”