Jewcy news: goede kaarten

Uw columnist met voetbalkoorts
Uw columnist met voetbalkoorts

De laatste keer dat ik Ajax live in het stadion heb gezien, was met vriend J.K.

Hij had goede kaarten en ik had een goede smoes om mee te gaan: we mochten keurig via de hoofdingang de Arena in. En dat was wel zo prettig. Het publiek dat door deze entree het stadion binnen mag, daarop is voor het grootste deel niks aan te merken. Nette mensen, althans met een bepaalde beschaafdheid. Normaal gesproken ga ik niet graag naar Ajax. Al dat gemankeerde tuig op de tribune bij een thuiswedstrijd.
Een paar jaar geleden was ik met mijn lieve oude vader naar een voetbalpot in de Arena tegen PEC Zwolle. Toen we voor aanvang een kroketje uit de muur trokken bij de Febo op het plein voor het stadion,
waren daar een stuk of dertig dronken ‘supporters’ een voetbal in de rondte aan het schoppen. Het doel: de bal zo hard mogelijk in de menigte schieten. De weerloze omstanders moesten maar hopen dat ze de snoeiharde bal niet in de bek geschoten kregen. Helaas had een man tien meter voor me op het plein het spelletje niet door. Zijn bril werd van zijn hoofd gekatapulteerd toen zo’n joelende barbaar de bal in zijn gezicht trapte.
Sindsdien wil ik eigenlijk niet meer naar een wedstrijd. Het is alleen maar armoe. Een samenvatting van een paar minuten, thuis op de bank, is meer dan genoeg. Maar hoe zonde is dat, want in een stadion naar voetbal kijken kán zo leuk zijn. Daarom hunker ik nog vaak naar Hapoel Katamon Jerusalem, die gekke ploeg uit de heilige stad.

Aardsrivalen
Vroeger waren er maar twee clubs in Jeruzalem. Beitar en Hapoel. Aardsrivalen, zo kan ik ze het best typeren. Beitar laat ik even buiten beschouwing, het gaat nu om Hapoel. De fans leefden voor hun club, maar door mismanagement, verkeerd spelersbeleid en dubieuze eigenaren raakten ze steeds meer vervreemd van hun Hapoel. Een harde kern supporters besloot het niet langer te pikken. Dat betekende niet dat ze, zoals die idiote Ajaxfans, de spelersbus met fakkels tegenhouden en iedereen de bus uitjagen.

Door mismanagement, verkeerd spelersbeleid en dubieuze eigenaren raakten ze steeds meer vervreemd van hun Hapoel

Nee, de fans van Hapoel hadden er genoeg van en dus begonnen ze een eigen club. Een club die voor de echte waarde van Hapoel stond. Zo zag Hapoel Katamon Jerusalem in 2007 het levenslicht. Nu, tien jaar later, werkt de club netjes zijn wedstrijden af in de eerste divisie.
Ik kwam in aanraking met de club via mijn Israëlische maat Jonathan. Hij was verknocht aan dit faninitiatief. Zozeer zelfs dat hij nu penningmeester van de club is. Hij nam me mee naar het bekende Teddy Stadium in Jeruzalem, waar Hapoel Katamon Jerusalem zijn thuiswedstrijden speelt. “Frank, we gaan wel in het vak met de fanatieke supporters staan,” zei hij in de auto. Ik keek hem bevreesd aan.
Eenmaal in het stadion bleken de fanatieke supporters geen coke snuivende, bier slurpende hooligans te zijn, maar gezellige lui. Het vak bestond voor een aanzienlijk deel zelfs uit vaders en kinderen. Gewoon gezellig naar een wedstrijd. Er werd gezongen, gejuicht en nog meer gezongen. In de rust at ik een broodje met een soort knakworst; ik voelde me weer kind.
Op deze manier wil ik elke week wel naar het stadion. Maar tot die tijd moet ik J.K. lief aankijken, of hij mij wil meesmokkelen naar de eretribune.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*