Industrie als vredesduif

Stef Wertheimer is hét succesverhaal van de krantenjongen die miljonair werd. In Tefen, een van zijn industrieparken in het noorden van Israël, heeft Joanne Nihom een gesprek met hem en twee van zijn medewerkers.

Auteur: Joanne Nihom

De sociale onrust in Israël is nog niet voorbij. Ha’am rotze tzedek chewratie (‘het volk wil sociale rechtvaardigheid’) werd vorig jaar, tijdens de vele demonstraties in het land, de slogan voor een nieuw Israël. Het gaat niet alleen om verhogingen van salarissen en verlaging van prijzen, maar vooral om het herstel van de democratie in een land waar iedereen gelijk is en weer vertrouwen heeft in de leiding en vooral in het establishment. Op 15 augustus 2011 schreef journalist en oud-politicus Yehuda Ben Meir in Ha’aretz: „Niemand haat Stef en Eitan Wertheimer of Eli Horowitz of Gil Shwed. Zij zijn mensen die met hun eigen handen en door heel hard werken grote ondernemingen hebben opgebouwd: zij staan voor Israëls creativiteit, scherpzinnigheid en baanbrekende resultaten. Iedereen is trots op ze…” 

Jongste bediende 

Wertheimer lacht veel, maar praat langzaam en zachtjes. Hij spreekt afwisselend Ivriet en Engels met af en toe een Duits woord,* zoals ‘bitte’. Als hij hoort dat het interview voor een Nederlands blad is zegt hij in vloeiend Nederlands ‘mag ik nog een koekje?’ In 1937, Wertheimer was toen elf, ontvluchtte hij met zijn ouders Duitsland, en zij vestigden zich in het toenmalige Palestina. „Het voelde meteen als mijn thuis.”
Leren was niet zijn sterkste punt en op zijn veertiende hield hij het voor gezien. „Mijn vader, een graanhandelaar, vond dat niet leuk maar ik wilde werken, iets met mijn handen doen. Ik vond werk als jongste bediende in de optische industrie.” De ervaring die hij daar opdeed zou de basis worden voor zijn latere carrière. Hij vocht in de Palmach en later in het Israëlische leger. „In 1950 besloot ik het militaire leven waarwel te zeggen – ik was inmiddels getrouwd – en mij te vestigen in Naharia, in het noorden van Israël. Zonder een cent op zak, in een oude schuur en alleen wat soldeerbouten startte ik een bedrijfje in golfplaten. Een stuk metaal is voor mij wat steen is voor een beeldhouwer. Ik speel ermee, kijk ernaar, verander de vorm en op een gegeven moment ontstaat er iets. Voor veel mensen is een bout een bout, voor mij lééft die. Geloof mij er is geen verschil tussen industrie en kunst.”
Het was het begin van Iscar Ltd (Israel Carbide), tegenwoordig een multinational en marktleider op het gebied van elektronisch snijdgereedschap voor de fabricage van onder andere auto’s en vliegtuigen, met meer dan vijftig vestigingen over de hele wereld. Wie had toen kunnen bedenken dat 56 jaar later, in 2006, Wertheimer 80 procent van zijn aandelen voor in totaal vier miljard dollar aan de Amerikaanse beleggingsmiljardair Warren Buffett zou verkopen. De transactie was sensationeel. Niet alleen was het de eerste buitenlandse aankoop van Buffet, maar de verkoop maakte de Wertheimers in één klap de rijkste familie van Israël en zette het land voor altijd op de financiële kaart. NRC Handelsblad schreef op 8 mei 2006: ‘„Dit is meer dan zomaar een nieuwe deal voor de Israëlische economie,” zei premier Ehud Olmert voor het begin van de ministerraad. „Dat een man als Buffett investeert in een bedrijf in Israël, een land dat hij nog nooit bezocht, laat zien dat hij veel vertrouwen heeft in de Israëlische economie en in de stabiliteit van het economische systeem hier,” aldus de premier.’

Doe gewoon en blijf jezelf 

Wertheimer, inmiddels 86, behoort tot de rijkste mensen in de wereld en zijn naam wordt regelmatig genoemd in de media. Het lijkt hem weinig te doen. „Tijdens mijn Palmachtijd was het motto: ‘Doe gewoon en blijf jezelf’ en dat heb ik altijd onthouden. Ik heb hard gewerkt maar of dat nou zo bijzonder is? En ook ik neem weleens verkeerde beslissingen.” Zijn grootste misser is voor hem zijn politieke carrière in de Knesset. „In 1977, als afgevaardigde van de liberale partij Shinui, heb ik geprobeerd iets voor het land te doen, vooral op technisch en educatief gebied, maar ik vond er nooit het platform voor. De taal in de Knesset is niet mijn taal.”
Na vier jaar politiek besluit Wertheimer in 1981 om zich weer te richten op de industrie. Zijn zoon Eitan neemt de leiding van Iscar over en Wertheimer gaat zich bezighouden met het scheppen van een beter economisch klimaat. Zijn visie – in Israël draait het te veel om veiligheid en macht, industrie zou prioriteit nummer één moeten zijn – resulteert in een model waar industrie, hightech, educatie, kunst en dienstverlening samenkomen. „Het land heeft niet voldoende water, geen olie en bijna geen industrie, het is van het grootste belang om industrie en productie in eigen land te ontwikkelen.” In 1985 opent hij zijn eerste industriepark, Tefen, waar onderzoek en ontwikkeling gericht zijn op export. Momenteel biedt het industriepark onderdak aan zo’n dertig ondernemingen. Wertheimer: „Industrie, export, co-existentie, kunst en onderwijs zijn niet alleen de sleutels tot succes, maar ook tot vrede in het Midden-Oosten. Op het moment dat Joden en Arabieren een gezamenlijke vijand hebben, namelijk de wereldmarkt, gaat alles er anders uitzien. Dan worden we gedwongen samen te werken in plaats van tegen elkaar te vechten.”

Industrie en kunst 

Tefen werd een succes en inmiddels zijn er zeven industrieparken, verspreid over het land, en ook een in Turkije. Wertheimer:„We zijn ook bezig geweest in Gaza, van zowel Palestijnse als Israëlische kant was er toestemming, maar toen brak de tweede intifada uit en veranderde zoals bekend de situatie.” Het nieuwste industriepark, in Nazareth, gaat over drie maanden open. De opzet is overal hetzelfde: veel zorg voor vormgeving. „Joodse moeders vinden het niet prettig dat hun kinderen in vieze fabrieken werken en vuile handen krijgen, dus zorgen we voor een schone omgeving,” zegt Wertheimer lachend. Vrolijke gele muren en opgeruimde werkplekken doen vergeten dat het gaat om fabrieken. Opvallend zijn de vele kunst- en beeldhouwwerken die je overal ziet.
Duizenden Joden, Druzen en Arabieren vinden werk in de verschillende parken. Hanna Golan komt oorspronkelijk uit Nederland en is al acht jaar werkzaam bij Iscar. „Het is zo gewoon dat wij hier allemaal samenwerken dat het mij niet eens opvalt. Iedereen krijgt dezelfde kansen, er is geen onderscheid tussen nationaliteit of geloof. De achtergronden zijn alleen te herkennen aan uiterlijke kenmerken zoals een keppel of een hoofddoek,” zegt ze. „Als industrialisatie onze gemeenschappelijke religie zou zijn dan heb je nooit meer oorlog,” voegt Wertheimer toe.
De industrieparken hebben grote invloed op de omgeving en infrastructuur, zoals bijvoorbeeld Tefen, het eerste park, dat is gebouwd op een grote kale vlakte in het noorden van Israël, vlakbij Ma’alot, waar geen enkele weg liep. Nu zijn er wegen, winkels en veel bedrijvigheid.

Advocaat of dokter 

Onderwijs is het paradepaardje van Wertheimer. Zijn adviseur Dan Sharon was jaren directeur van het ministerie van Onderwijs: „Al in de jaren 60 was Wertheimer zich ervan bewust dat er te weinig onderwijs was om technisch personeel op te leiden. Hij werd medeoprichter van de Tsur Technical School in Naharia.” Maar het gebrek aan lager geschoolde arbeiders duurt tot op de dag van vandaag. Sharon: „We hebben er nog niet echt een oplossing voor gevonden. Het probleem speelt overal ter wereld, maar in Israël lijkt het nog groter: iedere Joodse moeder wil dat haar kind advocaat of dokter wordt en een titel heeft.”
Verspreid over de industrieparken staan inmiddels acht technische scholen voor jongeren tussen de veertien en achttien jaar (tot hun legertijd). „Ondanks onze succesvolle opleidingen komen de kinderen tot nu toe voornamelijk uit minder welgestelde families of probleemgezinnen, of het zijn dropouts die nergens terechtkunnen. We zijn er nog niet in geslaagd alle Joodse moeders te overtuigen hun kinderen naar ons toe te sturen. Zelfverzonnen titels voor onze afgestudeerden heeft ook niet geholpen,” zegt Sharon met een grijns. „We garanderen ieder kind dat bij ons leert na de legertijd een baan bij een van de Iscar-bedrijven. Op het moment dat je voor iemand een toekomst creëert maak je de verandering en dat is de weg naar vrede,” besluit Wertheimer.

 

Iscar is beursgenoteerd en publiceert geen omzet/winstcijfers: de omzet loopt in de miljarden dollars.

1985 The Tefen Industrial Park,
omzet in 2010 $ 220 miljoen
1992 The Tel Hai Industrial Park,
$ 180 miljoen
1996 The Omer Industrial Park, $ 270 miljoen
1998 The Lavon Industrial Park, $ 20 miljoen
2006 The Dalton Industrial Park, $ 25 miljoen