‘Ik ben voor het verleden’

Op zijn veertiende schreef Bart Wallet zijn eerste historische artikel. Vorige week promoveerde hij op Jiddische geschiedschrijving in Nederland.

Auteur: Achsa Vissel
Foto: Rufus de Vries, www.rufusdevries.nl

Is dit de maand van Bart Wallet? Binnen vier weken ben je én gepromoveerd én vader geworden. 

„Eh… mijn vrouw en ik hebben ook nog een huis gekocht. Ik ga nu buiten de grachtengordel van Amsterdam wonen en al is dat voor ons gezin prima, het verlaten van die levende geschiedenis was voor een historicus even slikken.” 

Je promoveerde op ‘Early modern Yiddish Historiography in the Northern Netherlands (vroeg-moderne Jiddische geschiedschrijving in de Noordelijke Lage Landen) 1743-1812’. Was die er dan? 

„Jazeker. In die tijd is er zelfs een ware bestseller geschreven, die na zijn oorspronkelijk verschijnen in 1743 28 herdrukken beleefde: Sheyris Jisroel van Menachem Man (burgerlijke naam: Emanuel) Amelander. Oorspronkelijk was het een wetenschappelijk werk, maar het werd uiteindelijk mateloos populair in charedische (zeer orthodoxe) kringen. De laatste Lubavitcher Rebbe, Menachem Mendel Schneerson heeft de vraag wat een goede Joodse vrouw zou kunnen doen als ze, bijvoorbeeld op Sjabbatavond, wat tijd over heeft, beantwoord met het voorbeeld van rebbetsin Rivka Schneerson (kleindochter van de tweede Lubavitscher Rebbe, echtgenote van de vierde en grootmoeder van de zesde). Die haalde op zo’n moment drie boeken uit de kast om uit voor te lezen, waarvan Sheyris Jisroel er een was.”

Wat was er zo bijzonder aan dat boek? 

„Dat Amelander, in een tijd dat de wereld veel moeilijker te kennen was dan nu, de geschiedenis van Joden uit ‘alle windrichtingen’ beschreef, van Rusland tot Irak. En dat hijgedurfde bronnen raadpleegde, zelfs christelijke. Voor het verzamelen van informatie uit de sefardische hoek maakte hij gebruik van zijn contacten met de Portugese gemeente. Binnen de boekenindustrie was de traditionele scheiding tussen de sefardische en asjkenazische gemeenschappen veel kleiner dan in het dagelijks leven.”

Wat fascineert jou aan zijn werk? 

„Dat iemand die in de Verversstraat woonde, op een paar minuten lopen van waar wij nu zitten, op het idee kwam een geschiedenis te schrijven over Joden uit de hele wereld. Een ongelofelijke prestatie in die tijd. Nu vinden we informatie met een muisklik, toen was dat niet simpel. Hij putte uit allerlei Joodse bronnen, gebruikte toenmalige Hebreeuwse literatuur en bronnen als de Talmoed, maar ook boeken met Jiddische volksverhalen. Hij hield er ook zaken uit: over kabbala, de Joodse mystiek, heeft hij het bijvoorbeeld niet. Dat laat hij bij de rabbijnen, misschien omdat de gewone man er, zoals wordt gezegd, gek van zou kunnen worden.”

Je hebt zelf geen Joodse achtergrond. Hoe ben je zo in de Joodse wereld terechtgekomen? 

„Ik was er vroeg bij: op de lagere school had ik de keus voor geschiedenis al gemaakt. Toen ik veertien was logeerde ik bij een oom en tante in Nijkerk en kwam daar in het stadsarchief terecht. Ik had net wat boeken over Israël gelezen en dook in een stapel archiefmateriaal met Joodse geschiedenis. Een gezette man, voorzitter van de plaatselijke historische vereniging, keek over mijn schouder mee. ‘Daar zouden we iets mee moeten doen in ons blad,’ zei hij. Ik pakte het op en schreefals veertienjarige jongen mijn eerste artikel. De keus voor Joodse geschiedenis was toen snel gemaakt; op aanraden van mijn leraar geschiedenis deed ik er Hebreeuws naast, inclusief Jiddisch. Portugees is, vanwege de sefardische kant van de geschiedenis natuurlijk ook belangrijk; door met een Argentijnse vrouw te trouwen die veel Latijnse talen spreekt heb ik dat ‘ingekocht’, haha.”

Heeft het voordelen dat je niet ‘van binnenuit’ komt? 

„Ik ben niet voor de een of de ander, heb geen agenda. Ik ben voor het verleden, dat wil ik recht doen. Ik merk dat men het juist prettig vind: ik ben niet orthodox of liberaal, niet zionistisch of anti-zionistisch. Ik werk met iedereen samen die met mij wil samenwerken, ken geen grenzen of barrières. Het enige waar ik op afgerekend wil worden zijn mijn resultaten. Wat ik aan kennis verzamel wil ik graag delen; verder is het aan de Joodse gemeenschap om daarmee te doen wat ze willen.”

Dan moet je ook liefde hebben voor de Joodse geschiedenis? 

„Ja, natuurlijk. Dat die me gegrepen heeft is de reden dat ik dit doe. Daarnaast heb ik een commitment: ik vind het belangrijk dat er een vitale Joodse gemeenschap is, die is een integraal onderdeel van de Nederlandse geschiedenis. Als die er niet meer zou zijn, is Nederland Nederland niet meer. De cursussen die ik geef zijn in die zin ook een service, een dienst aan het Joodse leven in Nederland. Door iets over die geschiedenis vast te leggen kan ik daar een bescheiden bijdrage aan leveren.”

Je hebt de reputatie een wandelende encyclopedie te zijn, stip maar een onderwerp aan en je weet er een uitgebreid verhaal over te vertellen… 

„Ik zie overal geschiedenis. Of ik nou de krant lees of ergens rondloop, ik doe het altijd met een historische knipoog. Ik ben ook een echte archieftijger, die dagenlang tussen de papieren kan zitten en het sensationeel vind om een bijzonder document te vinden. Geschiedenis heeft een stoffig aura, maar ik zie het als detectivewerk.”

Hoe zit het met die supercursus Joodse geschiedenis die je geeft? 

„Bij Crescas geef ik een grote overzichtscursus Joodse geschiedenis; eigenlijk vanwege het gemis aan zo’n cursus aan de universiteit. Ik volg de grote lijn van 1300 voor het jaar nul tot nu. Mensen zeggen vaak dat ze stukjes of brokjes weten, ik probeer het grote overzicht te geven, structuur en houvast. Verhalen zijn nooit losse verhalen, ze passen altijd binnen een grotere structuur. Ook in mijn boeken probeer ik zo te schrijven dat het houvast geeft.”

Je schijnt al een paar boeken op je naam te hebben staan? 

„Met mijn afstudeerscriptie Nieuwe Nederlanders: de integratie van Joden in Nederland, 1814- 1851 won ik de Hartog Beemprijs; in 2007 kwam het als boek uit bij Uitgeverij Bert Bakker. Samen met Paul van Trigt en Hans Polak legde ik de geschiedenis van de NIHS vast in het vorig jaar verschenen Sjehechejanoe – Die ons heeft laten leven. Met Hetty Berg redigeerde ik voor de tentoonstelling Wie niet weg is, is gezien in het Joods Historisch Museum een bundel. Ik speel weleens met de gedachte om van mijn promotieonderzoek een publieksvriendelijke uitgave te maken. Er staan boeiende verhalen in over Amsterdam; over Joodse knokploegen bijvoorbeeld, of dat bij mist in de slecht verlichte stad veel mensen per ongeluk de gracht inliepen.

Al toekomstplannen gemaakt? 

Mijn volgende project is al gestart: binnen een samenwerkingsverband van de UvA en het Joods Historisch Museum leg ik de naoorlogse geschiedenis van Joods Nederland vast, van 1945 tot 2010. Ik ben druk op zoek naar persoonlijke documenten, dagboeken, briefwisselingen met familie in het buitenland waarin de situatie in Nederland wordt beschreven. Ik wil zo schrijven dat het herkenbaar is voor mensen, maar ook verrassend. Ook wil ik recht doen aan de mensen die hier vroeger leefden. Ik kruip in hun huid, probeer het moderne perspectief los te laten. Wat waren hun worstelingen en problemen? Mijn taak is hen tot spreken te brengen op zo’n manier dat wij ze begrijpen.