Het regime en de dader

Genocides_BeeldbankWO2 - NIOD
Aangeklaagde ‘Aufseherinnen’ uit kamp Ravensbrück, 1945. Foto: NIOD

Hoe gaan mensen over tot een genocidale massamoord? Vaak wordt gewezen op de omstandigheden als bepalende factor. In potentie schuilt in iedereen een massamoordenaar, stelde Hannah Arendt. Abram de Swaan gaat in zijn nieuwe boek Compartimenten van vernietiging de strijd aan met die zienswijze.

Auteur: Jaap Cohen

De enige manier waarop ik kon leven, was door mijn denken te compartimentaliseren.’ Dat vertelde de oud-commandant van het vernietigingskamp Treblinka, Franz Stangl, in 1974 aan interviewster Gitta Sereny over de manier waarop hij zijn rol in de Jodenvernietiging tegenover zichzelf kon verantwoorden. Op de politieacademie had hij geleerd dat voor een misdaad vier elementen nodig waren: een subject, een object, een actie en een intentie. Stangl zei tegen zichzelf dat weliswaar de eerste drie elementen waren ingevuld (object was ‘het regime’, subject ‘de Joden’, actie ‘de vergassingen’), maar dat zijn eigen intentie ontbrak. Met andere woorden: door in hokjes te denken kon hij zichzelf wijsmaken dat hij geen misdaad pleegde. Compartimentalisatie – het is een ingewikkelde term, maar in Compartimenten van vernietiging, de nieuwe studie van de eminente socioloog en P.C. Hooftprijs-winnaar Abram de Swaan, komt het op allerlei verschillende niveaus terug. De Swaan probeert in zijn boek antwoord te geven op enkele van de meest intrigerende vragen uit de geschiedenis: hoe kan het dat er regimes zijn die zich te buiten gaan aan genocide, en waarom ontwikkelen sommige mensen zich onder bepaalde omstandigheden tot massamoordenaars? Op basis van het werk van beroemde auteurs – Christopher Browning, Daniel Goldhagen, Zygmunt Bauman, Michael Mann – analyseert De Swaan de machinaties van niet minder dan achttien genocides uit de bloedige 20e eeuw. Steeds merkt hij op hoezeer in de bewuste samenlevingen een bevolkingsgroep – vaak behorend tot een denkbeeldige of minder denkbeeldige elite – stelselmatig werd weggezet. Of het nu ging om de Joden in nazi-Duitsland of de Tutsi’s in Rwanda onder het Hutu-powerbewind, jarenlange propaganda maakte van hen volledig geïsoleerde groepen, oftewel eigen compartimenten in de maatschappij. Aan het einde van dit ‘desidentifi catieproces’ kwam dan de genocide. Weerloze slachtoffers werden meestal naar een afgezonderde plek vervoerd – een fysiek compartiment, zoals een vernietigingskamp, of een afgelegen bos –, waarna het massale doden kon beginnen. Ook de daders bestonden meestal uit afgesloten moordcompartimenten. De Swaan noemt ze cynisch ‘geweldspecialisten’, die na het moorden weer terugkeerden in de vertrouwde huiselijke omgeving. Alsof er niets was gebeurd.

Categorieën
De achttien genocides mogen dan bijna allemaal een vorm van compartimentalisatie herbergen, ze verschillen natuurlijk ook van elkaar. Om orde in deze gruwelijke chaos te scheppen maakt De Swaan onderscheid tussen verschillende categorieën van massavernietiging. Een imperialistische terreurcampagne als die van het Duitse leger tegen het Herero-volk in Zuidwest-Afrika (1904) plaatst hij bijvoorbeeld onder de noemer ‘razernij van de overwinnaars’. In deze gevallen besluiten overwinnaars in het morele vacuüm van de nasleep van een verovering om weerloze mensen uit de overwonnen bevolking uit te roeien, al dan niet uit wraak voor de geboden tegenstand. Vrijwel het tegenovergestelde komt ook voor: de ‘triomf van de verliezers’. Als een regime inziet dat in een oorlog de nederlaag nabij komt, besluit het om zich volledig te wijden aan zijn historische missie – het elimineren van de ongewapende, zwartgemaakte doelgroep –, ondanks dat hierdoor de militaire positie van het regime verder onder druk komt te staan. Dit was het geval in nazi-Duitsland: toen de geallieerden oprukten, besloot Hitler zich te richten op het elimineren van het Europese jodendom in Oost-Europese vernietigingskampen. En toen in Rwanda het Hutu Powerregime het einde zag naderen, kreeg de genocide op de Tutsi’s vaste vorm. Dit zijn op zichzelf interessante observaties, maar helaas is het lastig om door dit middengedeelte van het boek heen te komen. Het bevat veel herhalingen, passieve zinnen en alinealange citaten uit secundaire literatuur. De Swaans veelgeroemde, heldere schrijfstijl – die wel in de eerste twee hoofdstukken en in de conclusie van het boek aanwezig is – laat hem regelmatig in de steek. Een zin als ‘De sociale regulering van de zelfregulering van geweldsimpulsen werd sterker en breder, in elk individu en voor steeds meer individuen’ is nodeloos ingewikkeld. Een redacteur had hier goed werk kunnen doen.
Verschillende soorten daders
De Swaan bestudeert niet alleen verschillende soorten moorddadige regimes, maar ook – en dat is eigenlijk interessanter voor zijn betoog – de daders die binnen deze regimes opereerden. Niemand heeft het algemene beeld van de massamoordenaar zozeer bepaald als Hannah Arendt, die in 1963 naar aanleiding van het Eichmannproces haar theorie van de banaliteit van het kwaad ontvouwde. Hoewel de feiten absoluut niet in overeenstemming waren met haar betoog, beklijfde het beeld van een door en door normale, bijna onbenullige man. Het leidde ertoe dat veel mensen ervan overtuigd raakten dat in iedereen een massamoordenaar schuilt, en dat het alleen aan de situatie ligt of die massamoordenaar zich openbaart. ‘Als u en ik in dezelfde omstandigheden zouden zijn geweest, dan…’ Het beroemde psychologische experiment van Stanley Milgram, waarbij proefpersonen steeds heviger elektrische schokken moesten toebrengen aan een ‘student’ als diegene een vraag fout beantwoordde, leek deze notie te bevestigen. Het merendeel van de proefpersonen bracht inderdaad de (in schijn) levensgevaarlijke schokken toe. Bij hen wonnen gehoorzaamheid en plichtsgetrouwheid het van geweten en moreel besef. In Befehl ist Befehl, de klassieke verklaring van ex-nazi’s voor hun misdaden, zat blijkbaar een flinke kern van waarheid. Maar De Swaan verzet zich hevig tegen dit vertoog. Want hoewel veel van Milgrams proefpersonen inderdaad gehoorzaamden, was er ook een aanzienlijk deel dat de elektrische schokken weigerde uit te voeren. Aan deze weigeraars is nooit veel aandacht besteed, maar De Swaan wijst er terecht op dat alleen al het bestaan van deze groep cruciale informatie voor onze kijk op daderschap bevat. Ja, omstandigheden spelen een grote rol bij iemands ontwikkeling tot massamoordenaar, evenals de aard van het regime en de collectieve mentaliteit van een samenleving waarin een massamoordenaar leeft, maar individuele dispositie mag je als factor niet onderschatten. Dat is alleen al te zien aan het feit dat je binnen de categorie daders allerlei verschillen kunt aanbrengen: je hebt ‘gretige daders’ – de gewillige beulen die een sadistisch genoegen beleven aan het leed van hun slachtoffers – maar er zijn ook onwillige daders die zich voortdurend verzetten, of onverschillige daders die zonder na te denken de meest verschrikkelijke bevelen uitvoeren.

Genocidehandboek
Bij het lezen van Compartimenten van vernietiging hoop je dat De Swaans historische beschrijvingen, sociologische categoriseringen en psychologische theorieën uiteindelijk leiden tot de beantwoording van één cruciale vraag: in welk opzicht verschillen moordenaars van de mensen die in dezelfde omstandigheden weigeren zich aan moordlust over te geven? Maar ook De Swaan kan deze immens ingewikkelde kwestie niet beantwoorden, hij kan alleen antwoorden suggereren: dat het bijvoorbeeld ligt aan een beperkt moreel geweten, een gebrek aan empathisch vermogen, of het ontbreken van inzicht in het eigen aandeel aan de levensloop. Om daderschap écht te begrijpen, is, zoals De Swaan zelf schrijft, ‘langdurige en intensieve observatie ter plaatse vereist’. En in het geval van genocides is zo’n langdurige observatie nu eenmaal vrijwel onmogelijk. Wat overblijft is een boek dat zich laat lezen als een interdisciplinair handboek voor Holocaust- en genocidestudies, waarin zowel de belangrijkste genocides uit de 20e eeuw als de belangrijkste literatuur hierover overzichtelijk naast elkaar zijn gezet en met elkaar in verband gebracht. En misschien wel belangrijker: het boek biedt een krachtig en allerminst overbodig tegengeluid aan de trend van de relativering van het daderschap. Dat ‘gewone mensen’ zich kunnen ontwikkelen tot massamoordenaars ligt misschien grotendeels aan de omstandigheden, maar ook in de moeilijkste omstandigheden is het mogelijk om ‘nee’ te zeggen – voor De Swaan kan het, terecht, niet genoeg benadrukt worden.

Abram de Swaan, Compartimenten van vernietiging. Over genocidale regimes en hun daders. Prometheus/Bert Bakker, 2014, 320 pgs, € 24,95. Jaap Cohen is als onderzoeker verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD)

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*