Grandioos en ontroerend

Benno Premsela, 1984. FOTO: ©PHILIP MECHANICUS/MARIA AUSTRIA INSTITUUT

Grensverleggend in hun vak, voorvechters voor homo-emancipatie. Het Joods Historisch Museum brengt een eerbetoon aan Benno Premsela (1920-1997) en Max Heymans (1918-1997). Twee heel verschillende mannen, met opvallend parallelle levens.

Bij de entree van de tentoonstelling Benno Premsela/Max Heymans. Man- nen met lef en stijl portretten. Links Premsela door de ogen van fotograaf Paul Blanca, rechts Heymans in zijn atelier, door Frits staan twee grote Lemaire. Voor de foto’s twee symbolische objecten: bij die van Heymans zijn zilveren speldenkussen, nu in bezit van modeontwerper Mart Visser. Bij die van Premsela de paarse lamp uit het raamkozijn van zijn vroegere woon- en werkpand aan de Keizersgracht.
‘Twee Joodse jongens die er iets van wisten te maken’, was de titel die Premsela’s levenspartner Friso Broeksma aan de tentoonstelling had willen geven. Hoewel dat volgens Mirjam Knotter, curator van de tentoonstelling, de lading dekte dacht ze verder. “Ik kwam steeds terug op de woorden lef en stijl,” aldus Knotter. Tweeënhalf jaar geleden stuitte ze tijdens onderzoek naar Premsela steeds op de naam van Heymans. Ze bleken elkaar ook privé gekend te hebben. Knotter: “Ze werkten verschillende keren samen en vierden seideravond bij een gemeenschappelijke vriendin.”

Benno Premsela, 1984. FOTO: ©PHILIP MECHANICUS/MARIA AUSTRIA INSTITUUT
Benno Premsela, 1984. FOTO: ©PHILIP MECHANICUS/MARIA AUSTRIA INSTITUUT
Max Heymans, 1978
Max Heymans, 1978

Het contrast kan bijna niet groter zijn. Couturier Heymans stond bekend als extravert en flamboyant, een van de lievelingen van de boulevardpers. Ontwerper Premsela was meer ingetogen, en ‘wereldberoemd’ in eigen kring, de kunstwereld. Maar allebei Joodse, homoseksuele jongens, getraumatiseerd door de oorlog, allebei voortrekkers op hun vakgebied en binnen de homo-emancipatie. Na de Tweede Wereldoorlog hadden ze niets meer te verliezen. Ze namen een ‘vlucht naar voren’.

Kleine Maxje liep met de schaar door het huis en stak die zonder vrees in de hoeden en jurken van zijn moeder

Hoeden en couture
Max Heymans (oorspronkelijk Heijmans) werd in 1918 geboren in Arnhem, als enig kind in een orthodox-Joods gezin. De rest van zijn leven zou hij geen shows op zaterdag geven en geen niet-kosjer voedsel eten, omdat hij daar ‘allergisch’ voor zou zijn. Al jong was hij bezeten van kleren. Kleine Maxje liep met de schaar door het huis en stak die zonder vrees in de hoeden en jurken van zijn moeder om ze naar zijn smaak ‘aan te passen’. Zijn vader was niet enthousiast dat zijn zoontje op zondagochtend in een jurk de slaapkamer binnenliep, zijn moeder lachte erom. Toen Heymans vijftien was, overleed zijn vader, en samen met zijn moeder trok hij naar Amsterdam, waar zij in 1936 hertrouwde.
Nadat hij op zijn achttiende in Parijs zijn zakgeld uitgaf aan lint, voiles en vogeltjes om in hoeden te verwerken, maakte hij al snel naam als een van de eerste mannelijke hoedenontwerpers. Zijn moeder, ook zijn beste vriendin, financierde een atelier met woning. Daar trok hij in met toenmalig geliefde Joop Knoppers; hij was officieel uitde kast. De eerste kleding die hij ontwierp, was bedoeld om zijn hoeden beter uit te laten komen, maar deden hem besluiten de focus op het totaalbeeld te leggen, zowel hoeden als couture.
Toen Heymans twee Joodse roeiers in 1940 door de SD gearresteerd zag worden dook hij onder. Anoniem ging hij door met het maken en verkopen van hoeden, met Knoppers als tussenpersoon. Zijn moeder en stiefvader werden gedeporteerd naar Bergen-Belsen. Lisa Goudsmit, assistent-curator: “Waarschijnlijk is Heymans’ moeder vlak voor of kort na de bevrijding uit het kamp overleden. Een van de verhalen die over Max rondgaan is dat hij erg abrupt van zijn moeders dood op de hoogte werd gesteld. Hij begon te trillen en hield daar zijn leven lang niet meer mee op. Volgens een ander verhaal begon dat trillen trouwens na een val van de trap, gekleed in travestie. De dienstdoende arts stuurde hem naar huis toen hij doorkreeg dat er geen vrouw, maar een man op de behandeltafel van de Eerste Hulp lag.” Want, zoals hij later in zijn autobiografie zal vertellen, Max ging graag gekleed als chique dame de straat op.

Mijn Max
Heymans ontwikkelde zich tot kunstenaar-couturier. Hij werkte vanaf 1960 een periode in een eigen salon in warenhuis Hirsch & Cie, later opende hij een salon in de Nicolaas Witsenstraat.

Hoewel Heymans elke dag café Hoppe met een taxi wist te bereiken voor een drankje, lukte het hem niet zijn schuldeisers te betalen

Hij viel op door zijn flamboyante ontwerpen, waarmee hij de Franse mode vertaalde voor de Nederlandse vrouw. Hij was de eerste echte Nederlandse haute couturier, die geen patronen kocht, maar naar Parijs ging voor inspiratie en daarna eigen ontwerpen ontwikkelde. Toen hij eenmaal zijn stijl gevonden had, hield hij daaraan vast: uitbundig, maar klassiek. Pakjes, feestelijk jurken en gewaden, bedoeld om een vrouw er zo mooi en stijlvol mogelijk uit te laten zien. “Als ik trek heb in complimenten, trek ik mijn Max aan,” verwoordde kunstenares Marte Röling het.
Inspiratiebron Coco Chanel kreeg hommages tijdens zijn shows, en ontwerpen werden naar haar vernoemd. Haar advocaat reageerde met boze brieven, waar hij zich weinig van aantrok.
In de autobiografie Knal uit 1967 schrijft Heymans over mode, travestie en zijn homoseksualiteit – wat hij een lelijk woord vond en het daarom ‘zo zijn’ noemde. Het werd een bestseller die mensen zelfs inspireerde om ook uit de kast te komen. Onder zijn clientèle bevonden zich actrices als Caro van Eyck en Ina van Faassen, voor wie hij kleding en toneelkostuums ontwierp. Maar de glitter van zijn bestaan had een schaduwzijde. Max stond bekend om zijn financiële wanbeleid. Hoewel hij elke dag café Hoppe met een taxi wist te bereiken voor een drankje, lukte het hem niet zijn schuldeisers te betalen. Zijn salon voelde regelmatig de dreiging van een faillissement. Dankzij de steun van vrienden, medewerkers en vaste clientèle kon hij tot zijn dood blijven ontwerpen. In 1997 brachten fotografe Venus Veldhoen en styliste Abia Jansen een hommage aan Heymans in de Amsterdamse Supperclub: een fotoserie en een laatste modeshow. Een paar maanden later overleed hij door rookvergiftiging, na een brand in zijn huis. Vlak voor zijn dood werd hij nog ingeschreven als lid van de Joodse Gemeente en dankzij bemiddeling van vrienden kon hij zonder kosten begraven worden op Muiderberg, conform zijn wens. Rabbijn Vorst noemde tijdens de grafrede God ‘de eerste modeontwerper’.

Solidair netwerk
Benno Premsela werd in 1920 geboren in een heel ander soort gezin. Hij was het derde kind van Benno en Rosalie Premsela. Zijn vader was huisarts en een van de grondleggers van de Nederlandse seksuologie. Het echtpaar voedde hun drie kinderen op in een sfeer waarin ze ‘er mochten zijn’, waar zelfexpressie gestimuleerd werd en verantwoordelijkheid nemen centraal stond.
Het gezin was seculier, maar had veel contact metJoodse vrienden en familie. Toen hij zeventien was begon Premsela zijn opleiding aan de Nieuwe Kunstschool, afdeling Binnenhuisarchitectuur.
Tijdens de oorlog dook hij onder, maar werkte net als Heymans door: hij maakte en verkocht tassen. Na de bevrijding bleken alleen zijn broer Robert en hij het overleefd te hebben. In Amsterdam ontstond al snel een hecht, solidair netwerk dat vooral uit Joden bestond en dat elkaar steunde en samenwerkte om het leven weer vorm te geven. Zo leerde Premsela Heymans kennen, en in 1948
hielden ze in zijn salon een gezamenlijke show met hoeden van Heymans en tassen van Premsela. In 1951 vertrok Premsela naar Florence omsamen met vormgeefster Eva van Kans stoffen te ontwerpen.
Na terugkeer in 1953 kon hij aan de slag bij de Utrechtse Machinale Stoel- en Meubelfabriek UMS (later Pastoe), om onder meer showrooms in te richten. Vanaf 1956 maakte hij furore als ‘hoofd etalages en binnenopmaak’ van De Bijenkorf in Amsterdam. Daar richtte hij, samen met kunstenares Anni Pol, tot 1963 spraakmakende etalages in die op minitentoonstellingen leken. Samen met Jan Vonk vormde hij Bureau Premsela Vonk (later, als BRS Premsela Vonk, onder meer verantwoordelijk voor de vormgeving van het huidige JHM), waarin hij zich over textiele en industriële vormgeving boog. Het bedrijf had een aparte designstudio. Hij ontwierp producten als de iconische Lotek- (low tech) lamp, een minimalistisch bouwpakket. Zijn streven productontwerp als een serieuze kunstvorm te erkennen droeg bij aan de erkenning van Nederland als ontwerpland, met de Design Academy in Eindhoven en het wereldwijd gewaardeerde Dutch Design. Wie goed oplet tijdens de tentoonstelling ziet Premsela’s vooruitziende blik: zelfs zijn ontwerpen uit de jaren 50 passen bijna naadloos in een interieur van nu.

Acceptatie
Behalve een kunstzinnige, had Premsela ook een sterk sociale kant. Net als Heymans wilde hij, na in de oorlog als Jood te zijn vervolgd, zijn seksuele geaardheid niet verstoppen. Hij zat twintig jaar in het bestuur van het COC, waarvan negen als voorzitter. In 1964 kwam hij, als tweede Nederlander na Gerard Reve, tijdens een televisie-interview openlijk uit voor zijn seksuele geaardheid en besprak hij de noodzaak van acceptatie van homoseksuelen. Hij maakte in de loop der jaren deel uit – naar verluidt ook omdat hij moeilijk ‘nee’ kon zeggen – van meer dan zestig besturen,
raden, jury’s en adviescommissies.

Zelfs Premsela’s ontwerpen uit de jaren 50 passen bijna naadloos in een interieur van nu

Ook thuis was hij sociaal, het was er een komen en gaan van bezoek, collega’s en (ex-)geliefden, en tijdens lunch of diner ontstonden spontaan nieuwe samenwerkingsverbanden. Een ruimte in het huis was opengesteld voor tentoonstellingen van kunstenaars die nog geen galerie gevonden hadden. Premsela was een verwoed verzamelaar. Zijn collectie beeldende en toegepaste kunst werd in 1993 in het Stedelijk Museum in Amsterdam tentoongesteld onder de titel Voorzien. Op 70-jarige leeftijd stapte hij uit BRS Premsela Vonk (tegenwoordig Edenspiekermann) en hield hij zich verder bezig met bestuursfuncties.
Kort nadat grafisch vormgever Anthon Beeke een opvallend clownsportret van hem had gemaakt in het kader van de KunstRAI, overleed Premsela aan de gevolgen van buikvlieskanker. De lijst vrienden onder zijn rouwadvertentie liep door over de complete lengte van de krant. Na zijn overlijden leeft zijn naam voort, zoals in de jaarlijkse Benno Premselalezing, of de Premselazaal in het COC. Hommages kreeg hij ook: de laatste in 2105 door fotograaf Erwin Olaf in Vrij Nederland.

Talliet
Wie het pad door de tentoonstelling loopt volgt aan de linkerkant het leven van Heymans en rechts dat van Premsela. Behalve foto’s, documenten, en voorwerpen is er een parade van Heymans’ collectiestukken te zien, deels bezit van het museum, deels uitgeleend door particulieren. Ontroerend is een ander textielproduct: Heymans’ talliet. Het is helaas niet zijn mooiste, dat was er een met goudbrokaat die hij voor zijn bar mitswa van zijn ouders had gekregen. Maar die was niet meer voorhanden, hij heeft er ooit zijn hondje Xero in begraven.

Benno Premsela – Max Heymans. Mannen met lef en stijl, 14 december t/m 26 juni 2016, Joods Historisch Museum, Nieuwe Amstelstraat 1, Amsterdam.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*