Geen paniek in Nederland

Zijn Joodse ouders onrustig na de gebeurtenissen in Toulouse? Daarvan blijkt vooralsnog weinig. En de scholen reageerden ‘adequaat’.

Auteur: Ted de Hoog

Maandag 19 maart werden bij een Joodse school in Toulouse vier Joden vermoord, onder wie drie kinderen. Daarna bogen gemeenschappen overal ter wereld zich over de vraag: wat is er nu veranderd?
Zo ook in Nederland. Robert Aronson heeft drie kinderen op de Joodse lager school Rosj Pina: Camilla (5) in groep twee, Albert (8) in groep vier en Rebecca (10) in groep zes. „Ik wil eerst mijn afschuw uitspreken,” zegt Aronson door de telefoon. „Een idioot die zinloos het leven van kinderen neemt. Ik heb het allemaal met rillingen over mijn rug gelezen.” Maar zorgen over de situatie in Nederland heeft hij zich niet gemaakt. „Het schoolbestuur handelde adequaat. We kregen meteen een mail, bijna sneller dan het nieuws, waaruit we begrepen dat men doordrongen was van wat er gebeurde, dat de beveiliging was verscherpt. Ouders werden opgeroepen om waakzaam te zijn, auto’s niet dubbel te parkeren, zodat er ruimte bleef voor de school.” 
Aronson is niet ongerust. „Ik keek naar wat er feitelijk gebeurde. We praten over een of twee gekken en de aanslagen waren niet alleen tegen Joden gericht. Het beeld is diffuus. Ik verwacht hier niet ook meteen aanslagen. Bovendien leefden we hier altijd al met die dreiging. Als je je kinderen op een Joodse school plaatst weeg je af. Ik maak me nu niet méér zorgen over mijn kinderen.” Op school werden er op dinsdag twee minuten stilte gehouden. „Aan een kind van vijf uitleggen wat er gebeurde is moeilijk, die van tien begreep het heel goed. Kinderen zijn flexibel in de omgang met nieuwsfeiten. Ze zien het gewicht van de feiten niet, daar zijn het kinderen voor.”

Niet panikeren 

Carlo Bachrach heeft een dochter, Michelle (13), in de tweede klas van Maimonides en zoon Jonathan (10) zit op Rosj Pina in groep zeven. „Ik schrok heel erg. Deze moordaanslag was in zoverre niet nieuw dat we ons er als Joden van bewust zijn dat er al eeuwen vooroordelen jegens ons bestaan. Ik wil niet meedoen aan ‘panikeren’, daarvoor zie ik geen reden. We worden voor de zoveelste keer met de neus op de feiten gedrukt: we moeten alert zijn, onze beveiliging in orde hebben. Ik heb zelf ook op Maimonides gezeten, toen nog aan de Stadstimmertuinen, en ook toen al gold dat je niet zomaar naar binnen kon.”
Bachrach vindt de toestand ‘niet direct zorgelijk’. „Dit is een voorbeeld van iets wat permanent aan de hand is. Ik zit in het bestuur van een club van Joodse wetenschappers, en als we een locatie kiezen voor een vergadering moeten we steeds weer over de beveiliging nadenken. Mijn kinderen zijn flink bezig geweest met ‘Toulouse’, wat er gebeurde maakte diepe indruk. In eerste instantie ving mijn vrouw ze op, dat deed ze heel goed. En we hebben het er samen met ze over gehad en in perspectief geplaatst.”
Hij is ‘gelukkig’ met hoe de Joodse scholen om zijn gegaan met de gebeurtenissen in Toulouse. Die minuten stilte waren goed om gevoelens te reguleren. En daarna konden de kinderen het weer afsluiten. Mijn kinderen begrepen dat er hier op dit moment geen dreiging is. Maar ze weten ook dat je nooit kunt weten of er niet iemand is die op een achterkamertje iets zit voor te bereiden.”

Programma-akkoord 

Paul Slettenhaar is voorzitter van het dagelijks bestuur van Stadsdeel Zuid (met inbegrip van Buitenveldert) – dat 140.000 inwoners telt, onder wie veel Joden – en van diverse Joodse instellingen, zoals het JBO. Een van Slettenhaars portefeuilles is Veiligheid en Openbare Orde. „Het was afschuwelijk, een schoft die kinderen neerschiet,” zegt hij. „De beveiliging van Joodse instellingen vormt al onderdeel van ons programma-akkoord waarmee we na de verkiezingen in 2010 begonnen. In totaal hebben de scholen 800.000 euro nodig. Structureel is er 135.000 euro per jaar gereserveerd. Daarmee moet de eigen bijdrage van de Joodse ouders, die nog steeds fors is, binnen de perken worden gehouden. Het stadsdeel is niet per definitie toegerust voor dit soort dingen, de praktische aspecten van beveiliging zijn niet onze core business.
Slettenhaar beoordeelt het als een misstand dat mensen, in dit geval Joodse ouders, voor hun eigen veiligheid moeten betalen. We hebben deze problematiek al onder de aandacht van Den Haag gebracht. Ik heb intussen al met JBO-voorzitter Aboed Shabi gesproken. Wij hebben vanouds goede contacten met de Joodse scholen en Bij Leven en Welzijn, de Joodse beveiligingsorganisatie. Ik ga verder kijken wat er moet gebeuren, ik wil de kwestie in ons dagelijks bestuur bespreken, maar ik kan niets toezeggen.”
Aronson verwoordt vermoedelijk de gedachten van velen als hij zegt: „Ik leef ontzettend mee met die mensen daar. Het is zo zinloos allemaal.”

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*