Geen oog, geen oor, geen hart

Vlnr JHM-directeur Emile Schrijver - opperrabbijn Jacobs en voormalig voorzitter Peter Breederveld die naar aanleiding van de j’jaccuse van Frits Barend opdracht gaf tot diepgravend onderzoek
Vlnr JHM-directeur Emile Schrijver – opperrabbijn Jacobs en voormalig voorzitter Peter Breederveld die naar aanleiding van de j’jaccuse van Frits Barend opdracht gaf tot diepgravend onderzoek

Het langverwachte onderzoek naar het reilen en zeilen van het Nederlandse Rode Kruis tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog is deze week gepresenteerd. Joodse Nederlanders waren uiteraard vooral geïnteresseerd in de rol die de hulporganisatie speelde ten opzichte van hen. Rode Kruis-voorzitter Inge Brakman: “De verhalen uit de Joodse gemeenschap blijken waar.”

Wij geven geen dubbeltje voor het Rode Kruis!’ en ‘Vertrouw het Rode Kruis nooit.’ Het is tot op de dag van vandaag stelregel bij veel Joodse gezinnen. De reden: Joden voelden zich tijdens en na de Shoa ontzettend in de steek gelaten door de hulporganisatie die menslievendheid de basis van haar bestaan acht. Ten minste twee personen bij wie bovenstaande stelregels de norm waren, Michel Waterman en Frits Barend, schoven afgelopen maandag tijdens een besloten bijeenkomst in het NIOD, het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies, aan een lange tafel aan. Andere aanwezigen waren onder anderen erevoorzitter van het Nederlandse Rode Kruis (NRK) prinses Margriet, opperrabbijn Jacobs, scheidend JMW-directeur Hans Vuijsje en directeur van het Joods Historisch Museum en het Holocaustmuseum, Emile Schrijver. De Joodse gevoelens over het Rode Kruis zijn zeer terecht, zo bleek deze middag.
Het was Frits Barend die de slechte naam van de organisatie onder Joden een aantal jaren geleden aanhangig maakte. Hij vond een luisterend oor bij toenmalig voorzitter Cees Breederveld, die de opdracht gaf tot een onafhankelijk onderzoek. NIOD-medewerker Regina Grüter onderzocht vervolgens vierenhalf jaar lang de rol van het Rode Kruis tijdens en vlak na de oorlog. Haar bevindingen zijn gebundeld in Kwesties van leven en dood, het Nederlandse Rode Kruis in de Tweede
Wereldoorlog.
In het boek een apart hoofdstuk: ‘Het NRK en de joodse vervolgden’. Een opvallend kort hoofdstuk, vindt ook Regina Grüter zelf. De reden is simpelweg dat er weinig, heel weinig materiaal over te vinden was, maar uit wát er was, blijkt inderdaad dat de organisatie Joden dramatisch in de steek heeft gelaten, zowel tijdens de oorlog als bij de repatriëring daarna.

Het bestuur had wel de intentie om hulp te verlenen aan de Joodse bevolking, maar zette dit niet om in daden

Uit de samenvatting van het rapport:
‘Vooral twee groepen burgers, uitgesloten van de regels van de Conventie van Genève, rekenden op de hulp van het NRK: vervolgde Joden en politieke gevangenen. Dat het beleid van het NRK eigenlijk al vanaf de capitulatie was gericht op het meebuigen met de bezetter, is te zien aan het uitblijven van hulp aan de Joodse bevolking. Vanaf een half jaar na de capitulatie voerden de Duitse autoriteiten in een snel tempo allerlei anti-Joodse verordeningen in. De eerste bepaling eiste dat alle Joodse ambtenaren ontslagen moesten worden, maar na raadpleging van een jurist concludeerde het NRK dat de medewerkers van het Rode Kruis geen ambtenaren naren waren en dus voorlopig in dienst konden blijven. De volgende stap van de bezetter was een stuk persoonlijker: begin 1941 ontving het bestuur een bericht van Sociale Zaken dat de Bloedtransfusiedienst Joodse donoren van de donorlijsten moest schrappen. Zonder bij de bezetter te protesteren onderwierp het NRK zich hieraan en voerde de maatregel uit. Een nieuwe verordening bepaalde eind 1941 dat verenigingen geen Joodse leden mochten hebben. Hierop lichtte het bestuur de afdelingen in dat Joodse leden werden verzocht zich af te melden: 106 medewerkers dienden per direct de vereniging te verlaten. De eerste scheurtjes in de grondbeginselen waren een feit: er werd onderscheid gemaakt op basis van ras en geloof. Het bestuur had wel de intentie om hulp te verlenen aan de Joodse bevolking, maar zette dit niet om in daden. Naar aanleiding van de grootscheepse razzia in Amsterdam in februari 1941, waarbij 427 Joodse mannen werden opgepakt en naar Buchenwald overgebracht, richtte het bestuur een brief aan de Duitse autoriteiten met de vraag of er toestemming was hen pakketten te sturen. Het antwoord laat zich raden: hulp aan Joden was verboden. Het bestuur legde zich hierbij neer en staakte verdere actie. Het NRK bleek inmiddels dermate afgericht door de bezetter dat het eerst om toestemming vroeg voordat er werd gehandeld. Het uitblijven van toestemming van de autoriteiten was genoeg om elke goede wil en intentie in de kiem te smoren.’

NIOD-onderzoekster-Regina-Grüter-erevoorzitter-van-het-Rode-Kruis-prinses-Margriet-en-voorzitter-Inge-Brakman-na-afloop-van-de-besloten-presentatie-van-het-rapport

Doorgeefluik
‘Terwijl de bezetter de vrijheden van de Joodse bevolking steeds verder inperkte, bereidden de Duitse autoriteiten de deportaties voor. Begin juli 1942 werden de eerste Joodse inwoners van Amsterdam naar kamp Westerbork gedeporteerd, op 15 juli vertrok de eerste trein naar Auschwitz. Naast Westerbork werden Joodse gevangenen ook naar kamp Amersfoort en later kamp Vught overgebracht. Hoewel de behandeling van de Joodse gedeporteerden in Westerbork redelijk was, gold dit niet voor de Joodse gevangenen die in Amersfoort en Vught terechtkwamen. Ze werden slechter behandeld dan de andere gevangenen en moesten zware arbeid verrichten. Mishandeling was aan de orde van de dag en ook de voedselsituatie en medische voorzieningen waren slechter dan voor niet-Joodse gevangenen. De roep om hulp was groot, maar hulpcomités uit de omgeving, vaak geïnitieerd door plaatselijke Rode Kruisafdelingen, moesten lijdzaam toekijken – hulp aan Joodse gevangenen werd niet toegestaan. Door het contact met de Joodse Raad, maar ook door (anonieme) brieven, was het NRK-bestuur op de hoogte van de noodsituatie in de kampen. De brieven bevatten vragen over interventie, de mogelijkheid tot verzending van pakketten aan Joodse gevangenen of vragen om inlichtingen over gedeporteerde familieleden. Soms werd hierover gediscussieerd in vergaderingen, maar vaak werden de afzenders doorverwezen. Het NRK deed niets aan de situatie: hulpverlening aan Joden werd door de bezetter niet getolereerd en daar legde het bestuur zich bij neer. Wat de bezetter het NRK wel toestond was een beperkte rol bij de berichtgeving omtrent de verstrekking van zogenaamde Palestinacertificaten, waarbij Joden werden uitgewisseld tegen geïnterneerde Duitsers in geallieerd gebied. Het NRK was hierbij het doorgeefluik van berichten via het IRK in Genève naar Palestina en vice versa.’

Geen enkele weerstand
‘Intussen was het Comité Vught opgericht, dat zich vanaf april 1943 bezighield met het versturen van voedselpakketten en medicijnen naar de gevangenen in de gijzelaarskampen Haaren en St. Michielsgestel, kamp Vught en enkele gevangenissen. Het Comité bestond in eerste instantie uit particulieren en mensen van Rode Kruisafdelingen uit de omgeving van Haaren en Vught, maar werd later geleid door het bestuur van het NRK. Ondanks dat het comité in het duister werd gehouden over de situatie van de Joodse gevangenen, dit was immers verboden terrein, wisten enkele leden van het comité toch aan informatie over hun erbarmelijke toestand te komen. En hoewel het onderwerp van gesprek was binnen de vergaderingen en er diverse plannen werden gemaakt om de Joodse gevangenen toch hulp te verlenen, was ook het comité gebonden aan het verbod van de bezetter. Het verleende uiteindelijk voornamelijk hulp aan politieke gevangenen, maar met de beperkte ruimte die de bezetter gaf, probeerde men ook iets voor de Joden te betekenen. Wat betreft de daadwerkelijk verleende hulp van het NRK aan de Joodse gevangenen in Nederland, lukte het de vereniging met Kerst 1943 eenmaal om een zending pakketten kamp Vught in te krijgen. Daarna kreeg Rode Kruiser Loes van Overeem het in 1944 voor elkaar om nog enkele pakketzendingen naar de Groningse werkkampen van Joodse gemengd gehuwden te versturen, maar daar blijft het dan ook bij. Secretaris- generaal van het NRK, Offerhaus, probeerde het anders aan te pakken. Samen met zijn Joodse huisarts maakte hij in november 1942 in het geheim plannen om speciale hulpexpedities voor te bereiden. Deze expedities zouden na de oorlog worden ingezet om Joodse gedeporteerden, dwangarbeiders en politiek gevangenen uit Duitsland te repatriëren. Eveneens in het geheim, richtte hij met datzelfde doel ook een speciaal comité op. Ondanks alle goede bedoelingen kwamen beide initiatieven niet van de grond omdat de regering in Londen en een gezant in Bern niets met de plannen deed. Doordat het NRK-bestuur zich van meet af aan neerlegde bij de verboden van de bezetter, hen zelfs om toestemming vroeg om bepaalde hulp te mogen verlenen, verzandden alle goedbedoelde intenties. Het bood geen enkele weerstand en maakte zich als humanitaire organisatie niet hard om voor de Joodse slachtoffers op te komen.’

Diepe verontschuldigingen, spijt, schaamte en gêne zijn hier wel degelijk op z’n plaats’

De verhalen zijn waar
De huidige voorzitter van het NRK, Inge Brakman, die het onderzoek de afgelopen jaren nauw volgde, vertelt het NIW: “Ik heb het boek vaak moeten neerleggen, vond het heel moeilijk om te lezen. Het is duidelijk waar het Rode Kruis echt verzaakt heeft. De verhalen uit de Joodse gemeenschap, ze zijn allemaal waar. Voor het lot van de Joden was geen oog, geen oor, geen hart.” Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Noorse zusterorganisatie, die allerlei initiatieven ontplooide om buiten de geijkte paden toch levens te redden. Daarbij moet wel worden aangemerkt dat de Noorse situatie anders was. Daar leefden maar een paar duizend Joden en het grensde aan het neutrale Zweden, waardoor het gemakkelijker was te vluchten naar veiliger oorden.
Gijs de Vries, NRK-directeur: “De spiegel die ons wordt voorgehouden is onthutsend. De organisatie heeft voortdurend meegebogen met de bezetter. Er waren ook geen kleine initiatieven, niets illegaals, niets ondergronds. En daarmee heeft het toenmalige NRK-bestuur gefaald in onze grondbeginselen, waarvan de belangrijkste menslievendheid is. Op dat gebied heeft het Rode Kruis het meest verzaakt.
Brakman: “Er werd geen moed getoond. Hier en daar waren er een paar vrijwilligers die wel stoutmoedig waren en hun fantasie hebben gebruikt, maar dat maakt de tegenstelling extra wrang.”
Voor een documentaire die afgelopen maandagavond werd uitgezonden op NPO2, werd ook Auschwitz-overlevende Frieda Menco geïnterviewd. Zij stelde dat een paar voedselpakketten van het Rode Kruis in het vernietigingskamp waarschijnlijk niet zoveel hadden uitgemaakt, behalve dat die een gevoel zouden kunnen hebben gegeven ‘dat er tenminste aan ons werd gedacht’. De organisatie blonk echter uit in het gedrag van, wat Elie Wiesel noemde, ‘the bystander’, degene die wíst dat wat gebeurde fout was, maar niets deed. Ook de rol van de Nederlandse regering in ballingschap en de zogenoemde London Committee, die was opgericht om hulpverlening tijdens de oorlog te coördineren, worden in het boek hevig bekritiseerd.
Het onderzoek zelf gaat niet verder dan tot vlak na het einde van de oorlog, wat Frits Barend, die respect heeft voor het onderzoek, jammer vindt. Het is algemeen bekend dat Joden, als ze contact opnamen met het Rode Kruis en vroegen om inlichtingen over hun niet teruggekeerde familieleden, vaak kil en afstandelijk, en soms domweg bot werden afgescheept. Tamarah Benima, ook aanwezig op de bijeenkomst in het NIOD, heeft als beginnend redacteur van het NIW in de jaren 80 geprobeerd informatie boven tafel te krijgen. Ze ving bot bij de organisatie (lees hierover haar column op p. 30). Alles werd afgedekt. Tot nu dus. De huidige leiding en het bestuur van het NRK neemt de verantwoordelijkheid voor de conclusies. Inge Brakman: “Het enige dat wij kunnen doen is onze diepste excuses aanbieden voor het handelen en vooral nalaten van handelen van het bestuur van toen. Ik weet dat ik niets kan verzachten voor het leed dat is aangedaan, we hebben de mensen letterlijk
en figuurlijk in de kou laten staan.”
Gijs de Vries: “Dat leed haal je niet weg. Maar diepe verontschuldigingen, spijt, schaamte en gêne zijn hier wel degelijk op z’n plaats.”

Regina Grüter, Kwesties van leven en dood, het Nederlandse Rode Kruis in de Tweede Wereldoorlog, 480 pgs, Uitgeverij Balans, € 24,95.
De documentaire is terug te kijken op npo.nl/nos-rode-kruis-in-de-oorlog/30-10-2017/POW_03612414

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*