‘Geen held, wel een pitbull’

Dankzij de onuitputtelijke inspanningen van Salo Muller komt de NS over de brug met individuele schadevergoedingen voor Holocaustslachtoffers die door het vervoersbedrijf zijn gedeporteerd. Muller vertelt hoe hij het voor elkaar kreeg.

Sinds de Nederlandse Spoorwegen heeft besloten over te gaan tot individuele uitkeringen aan Joden, Roma en Sinti die zijn teruggekeerd uit de kampen, is het leven van Salo Muller (82) in een stroomversnelling geraakt. Als de man die de overwinning op de NS binnensleepte geeft hij het ene interview na het andere, aan kranten uit Australië, Canada en natuurlijk Israël. “Ik werd er gek van, mag je weten,” vertelt Muller. “Het waren interviews in het Engels, tweeënhalf uur lang. Wilt u nog even vertellen waar u ondergedoken was? Hoe spel je dat, waar ligt dat? En zo ging het maar door.” Hij mocht zijn verhaal vertellen bij de NOS, bij Pauw en in tal van Nederlandse dagbladen. De persoonlijke mails en apps stromen binnen, uit Joodse en niet-Joodse kring. “Ik word gefeliciteerd en sommigen – dat klinkt misschien raar – noemen me een held en zeggen dat ik een lintje verdien. En ik krijg de nodige Jiddische mamma-opmerkingen: ‘Doe nu maar weer rustig aan, je bent geen twintig meer.’ Dat doet me wel wat.”

Salo Muller is tevreden, maar de tijd dringt. Er wordt nu een ‘commissie van drie’ gevormd die zich over de individuele gevallen zal buigen. De eerste aanmeldingen zijn binnen. Vooraf stelde Muller één voorwaarde aan de commissie: er moet een vrouw in zitten. Mannen onder elkaar hebben een ander gesprek dan een divers gezelschap. De eerste taak van de commissie is het vaststellen van de criteria: wie kan een beroep doen op de uitkering? Daarna zullen advertenties in kranten en uw NIW verschijnen met informatie voor het aanvragen van de uitkering.

‘Als iemand ‘nee’ zegt, denk ik dat het ‘misschien’ is. Zegt iemand ‘misschien’, dan interpreteer ik dat als ‘ja’’

Held
Een held vindt hij zichzelf niet. Wel een pitbull. “Als iemand ‘nee’ tegen mij zegt, denk ik dat het ‘misschien’ is. Zegt iemand ‘misschien’, dan interpreteer ik dat als ‘ja’. Ik schreef een brief aan de directie en kreeg als antwoord: ‘Wij hebben begrip voor uw situatie, maar we geven alleen aan collectieve doelen. We hebben geld gegeven aan Westerbork. We hebben diverse monumentjes opgericht. Op vier mei leggen we een krans op de Dam. Maar er kan geen sprake zijn van een individuele uitkering’. Ik schreef een tweede brief aan de directie en kreeg antwoord van het hoofd communicatie, met dezelfde strekking. Uiteindelijk kreeg ik nog een brief van de klantenservice. Dat bleek later een intern foutje te zijn, maar voor mij was dat doorslaggevend. Ik werd zo vreselijk kwaad. Ik heb mijn telefoon toch niet in de trein laten liggen. Wat is dit voor onzin! Ik dacht: ik moet de directeur spreken. Via Google ontdekte ik dat Roger van Boxtel president-directeur was van de Spoorwegen. Hij was ooit commissaris bij Ajax. Als oud-fysiotherapeut van Ajax 1 heb ik daar nog steeds goede contacten. Ik heb hen gebeld met een list. Ik zei: ‘Ik moet Roger even spreken, maar nu ben ik verdorie zijn mobiele telefoonnummer kwijtgeraakt’. Zo kreeg ik zijn nummer. Ik heb hem gebeld en zo is het balletje gaan rollen.”

Vrienden
Toch moest er de dreiging van een rechtszaak aan te pas komen voor de NS op basis van moreel-ethische overwegingen haar verantwoordelijkheid nam. Salo Muller doet het er mee. “Na de aanvankelijke afwijzing door Van Boxtel heb ik de beste advocaat van Nederland in de arm genomen, Liesbeth Zegveld. Dat was mogelijk dankzij de financiële bijdragen van vrienden van mijn schoonzoon. In een traject als dit leer je je vrienden kennen. In eerste instantie schreef ik kennissen aan die de middelen hebben en van wie ik dacht dat ze zouden helpen. Maar nee, die wilden niet ‘aan een dood paard trekken’. Die vrienden van mijn schoonzoon zeiden alleen maar: ‘Waar moeten we het naar overmaken?’ Tussen Liesbeth Zegveld en mij klikte het meteen. Ik heb haar mijn boek Tot vanavond en lief zijn hoor! gegeven en zij zegde toe samen met mij de strijd aan te gaan. We schreven twee brieven, daarna zijn we door de NS ontvangen en kregen we de toezegging dat zij overgingen tot individuele schadevergoeding. Roger van Boxtel wilde niet tegenover mij in de rechtszaal komen te staan. Daar was ik blij om, alleen al omdat zoiets veel tijd zou kosten. En het heeft allemaal al veel te lang geduurd.”

1 Reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*