Frits Barend, altijd in gesprek

Foto: Ted de Hoog
Foto: Ted de Hoog

Hij is sinds 17 februari offi cieel met pensioen, maar zoals je al kon verwachten is daar in de agenda van Frits Barend niet zoveel van te merken. Hij heeft net weer de feestelijke inauguratie achter de rug van de kwartaalglossy Helden, die hij samen met, onder anderen, zijn twee dochters Barbara en Kim maakt en die geheel gewijd is aan de sportwereld. Hij doet nog radiowerk voor de AVRO, Vrijdagmiddag Live, ook over sport, en hij wordt sufgebeld voor liefdadige doelen; onlangs heeft hij nog voor een goed doel per fi ets de gevreesde Mont Ventoux beklommen. „Ik moet een beetje oppassen dat zulke activiteiten niet uit de hand lopen,” zegt hij. Kortgeleden was hij in Israël voor een choppe en natuurlijk is hij de ‘actieve grootvader’ van Seb, Barbara’s zoontje, en Sam, het zoontje van Kim. Hij heeft kortom geen seconde de tijd om met zijn ziel onder zijn arm te lopen. Frits Barend, wie kent hem niet van zijn radio- en televisiewerk – Het Gat van Nederland (VPRO), FC Avondrood (VARA), Sport Studio (NOS), Sportief zijn, Beter Worden (Veronica), het is maar een greep. In de periode 1998-2006 was hij met zijn kompaan Henk van Dorp te zien in het legendarische Barend & Van Dorp, voor de commerciële zender RTL4. Het interviewprogramma met twee gastheren en één tafelheer (in casu Jan Mulder) groeide uit tot een succesvol en vaak geimiteerd format. Zoals zo vaak zijn televisiehelden in het alledaagse leven heel gewoon, en hartelijk, en dat geldt ook voor Frits Barend. Hij is een snelle en enthousiaste prater die ons ruimhartig trakteert op details over zijn carrière, gelardeerd met anekdotes van iemand ‘die erbij was’ en vele beroemdheden kende.  

 Dienstmeisjes

 Maar het begin was niet eens zo veelbelovend. „Ik kom uit een schathemeltjerijk textielmilieu,” vertelt hij ons in een café-restaurant ergens in Amstelveen, „je kent dat wel, familiehuis in Zandvoort, twee auto’s voor de deur, permanent dienstmeisje, alles kon.” Maar toen ik zes was hield dat leven plotseling op. Mijn vader vertrok van de ene op de andere dag en liet mijn moeder, mijn vijf jaar oudere broer Bert en mij achter met 35.000 gulden belastingschuld – hij had kennelijk veel zwart verdiend. Een openbare verkoop van de meubels dreigde en ik vond dat reuze spannend, want dan kon ik met Bert in het lege huis gaan voetballen. Het werd sappelen, maar toch voelde ik dat niet zo. Mijn moeder en Bert vingen de klappen op, zij hadden het zwaar. En zo heb ik toch een fantastische jeugd gehad. Ik voelde me al niet op mijn gemak in die wereld van de nouveaux riches. Ik wilde voetballen en vechten en ravotten, niet stilzitten met een strikje om. En van mijn vader herinnerde ik me toch niks, dus die miste ik niet.”

Lees verder in het NIW 3