Even geen historicus zijn

Pauline Micheels_credit Bob Bronshoff 2013
Foto: Bob Bronshoff

Pauline Micheels werd bij haar werk als historicus getroffen door de kwetsbaarheid van jonge Joodse kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij schreef er nu geen geschiedkundig werk over, maar een novelle, Vandaag, het fictieve dagboek van een jongetje van elf jaar, dat met zijn moeder in Westerbork zit.

Door: Max Arian 

Het is misschien verwarrend dat ik als historicus met een flink aantal geschiedkundige boeken op mijn naam nu met een boek kom dat fictie is, zij het dat veel daarin beschreven gebeurtenissen waar gebeurd zijn. Eigenlijk had ik het boek liever onder pseudoniem uitgebracht, en zo had ik het ook bij de uitgever ingeleverd. Hij wist aanvankelijk helemaal niet dat ik de schrijver was. Maar toen hij mij – de volgende dag al – voor een gesprek uitnodigde, overtuigde hij mij ervan dat ik het toch beter onder mijn eigen naam kon publiceren, omdat ik het anders nodeloos ingewikkeld zou maken, ook voor mezelf.” Pauline Micheels (1948, Den Haag), die jarenlang verbonden was aan het NIOD, werkt niet volgens een strak vooropgezet plan, ze volgt bij haar werk graag haar intuïtie. Soms voelt ze zich nog de schoolmeester die zij als geschiedenislerares op het Amsterdamse Montessori Lyceum lange tijd is geweest. Ze wil een verhaal vertellen over het lot van de Joodse kinderen, maar ze wilde dat op een andere manier doen en voelde de behoefte zich persoonlijk in te leven in het doen en denken van een jongetje dat opgesloten zit in het doorgangskamp Westerbork. „In Vandaag kan ik veel meer kwijt over het leven in kamp Westerbork en over wat er in het hoofd van een kind van elf jaar moet zijn omgegaan dan in een geschiedkundig werk mogelijk was geweest. Ik heb me in hem willen inleven en ik wilde tegelijkertijd een monumentje bouwen voor die volkomen kansarme en vaak naamloze kinderen. Zoals mijn eigen neefje en nichtje, de kinderen van de zuster van mijn vader. Ik heb nog een briefkaart uit 1942 die ze hadden geschreven aan hun oma, ook mijn oma. ‘Lieve oma, het is hier best en het is mooi weer…’ Eigenlijk was Pauline Micheels bezig de biografi e te schrijven van ingezonden stukken-schrijfster Henriette Boas. Maar nadat zij de enorme hoeveelheid papier in het Henriette Boas-archief had geordend kwam er een kink in de kabel en kon zij er een jaar lang niet aan doorwerken. Dat jaar ging zij toch elke dag gewoon naar haar werkkamer en begon zij in het diepste geheim – zelfs haar man wist er niet van – te schrijven aan dit kleine boekje met het dagboek van een naamloze, elfjarige jongen. Waar kwam die behoefte uit voort? „Bij het werken aan een heel ander boek, de biografi e van de componist Israel Olman, stuitte ik op het lot van zijn kleindochter, een klein meisje dat door haar moeder tijdelijk in het Joodse weeshuis in Amsterdam was ondergebracht. Toen dat weeshuis in februari 1943 in z’n geheel werd ontruimd kwam het meisje in Westerbork terecht. Daar zat toen ook haar grootvader Olman, maar die mocht een paar dagen later – als componist – vertrekken naar Barneveld. Er zijn pogingen gedaan het meisje ook daarheen te krijgen, maar dat is allemaal op niets uitgelopen. Zij is uiteindelijk samen met haar moeder gedeporteerd. Maar er was ook het lot van al die Joodse kinderen die in 1941 van de Tweede Openbare Handelsschool in de Amsterdamse Pijp weg moesten. Ik heb ooit voor Vrij Nederland een artikel over die school in de oorlog geschreven. Van de kinderen, vooral die uit de laagste klassen, hebben er maar heel weinig de oorlog overleefd. Ik realiseerde me toen dat als een kind eenmaal in Westerbork terecht was gekomen, er in principe geen weg terug was. Ze zaten daar volkomen en hopeloos in de val – wat natuurlijk ook de bedoeling was van de Duitsers.”

Presser schreef dat er eens een boek zou moeten worden geschreven over het lot van speciaal die kinderen, dat is steeds weer geprobeerd.
„Ik wil niet beweren dat er nog altijd te weinig over het lot van de kinderen is geschreven, maar in elk geval had ikzelf die behoefte. Toen ik aan dit boek begon wist ik niets van het initiatief van Guus Luijters om de gegevens van al die kinderen bijeen te brengen. Ik vermoedde dat er nauwelijks dagboeken van kinderen uit Westerbork zijn en daarom heb ik er zelf een bedacht.”

Je wilt met je boek ook iets kwijt over het dagelijks leven in Westerbork.
„Het dagboek geeft mij de gelegenheid het leven per dag te beschrijven, maar ook het dagelijkse leven, dat in Westerbork ‘gewoon’ doorging. Natuurlijk was er die enorme spanning als de lijsten werden bekendgemaakt van wie er op transport moesten. Maar als de trein was vertrokken ging het leven weer door. Dan kon je voetballen of moest je je huiswerk doen.”

Soms klinkt deze jongen wel een beetje wijsneuzig, maar je wilt natuurlijk ook vertellen over wat er in Westerbork gebeurde.
„Dat probeer ik vooral te doen via z’n moeder, aan wie hij vragen stelt en die natuurlijk een heel andere blik heeft op wat er gebeurt, veel meer die van een groot mens. Ik had me voorgenomen tijdens het schrijven geen boeken na te slaan. Niet In dépôt van Philip Mechanicus, die al zoveel gruwelijke dingen had meegemaakt in Amersfoort toen hij de poppenkast van Westerbork beschreef. Niet de brieven van Etty Hillesum of de een paar jaar geleden uitgegeven brieven van Mirjam Bolle. Ik wilde het vanuit die jongen beschrijven. Soms durft hij een vraag niet te stellen, zoals over wat er met zijn vader is gebeurd, omdat hij zijn moeder niet verdrietig wil maken.”

Toch zou het verwarrend kunnen zijn voor de lezer.
„Omdat er op de flap staat dat ik historicus ben. Natuurlijk, als ik een geschiedkundig werk schrijf, zoals mijn boek over Bernhard van Leer, De vatenman, dan is alles traceerbaar en streef ik niets anders na dan de waarheid en de werkelijkheid. Dat laatste doe ik nu ook, maar dan vanuit de fictie. Ik wilde nu eens even niet de historica zijn. Dit is een fictieboek. Er is iemand die een dagboek heeft gevonden van een jongetje. Allemaal fictie. Maar dat gebeurt in zoveel romans. Als iemand zijn streng calvinistische vader beschrijft in een roman, staat het hem vrij daar van alles bij te bedenken. Waarom hierover dan niet?”

Omdat je, als je je met de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog bezighoudt toch enige vrees bevangt?
Misschien mis ik een Sjoa-overgevoeligheid, maar ik vind dat je daar wel fictie over kan schrijven. Denk aan al die romans over de oorlog, die heel indringend kunnen zijn, ook al is het waarschijnlijk niet precies zo gebeurd. Neem de roman HhhH van de Franse schrijver Laurent Binet over de moordaanslag op Heydrich. Het is een roman, maar ik vind het ook een heel interessant boek. Natuurlijk mag je fictie maken over de Sjoa, als het kwalitatief maar goed is. Ik merk dat ik door dat fictie schrijven meer gericht ben op de vorm. Die vorm is bij een roman veel belangrijker dan hij meestal bij een geschiedenisboek is. Je kunt meer lagen aanbrengen. Wie is eigenlijk Maurits, de geheimzinnige vriend van de soms zo eenzame hoofdpersoon. Daar kan je als lezer vraagtekens bij zetten. Een gewone biografie schrijven, zoals ik nu een aantal keren heb gedaan, vind ik hierbij vergeleken minder spannend. Ik blijf op zoek naar andere mogelijkheden om een verhaal te vertellen, dat vind ik nu een grote uitdaging.”

Pauline Micheels, Vandaag – een oorlogsnovelle, Prometheus Amsterdam, 2014, 112 p., € 16,95

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*