Een politicus blikt terug

Harry van den Bergh nadert de 70. Hij was in veel dingen goed, maar hij werd géén premier of F-16-piloot. Wat in de Amstelveense studeerkamer van ex-PvdA-politicus Harry van den Bergh meteen opvalt is de metershoge boekenwand, met een keur aan literaire, historische en politicologische klassiekers. Hij heeft een brede belangstelling zo te zien? Van den Bergh, joviaal, gastvrij, nog in trainingspak omdat hij bezig is aan een revalidatietraject, reageert bescheiden: „Ik heb niet alles gelezen hoor, maar veel wel, en soms een paar hoofdstukken.” Hij is net begonnen met het kersverse standaardwerk van Sebag-Montefiore over de geschiedenis van Jeruzalem. „Zo’n boek lees ik dan meteen. Ik wil de geschiedenis beter leren kennen.”

We duiken op deze late decembermiddag meteen de geschiedenis in – eerst in algemene zin. „Ik ben voorzitter in Nederland van Humanity in Action, een internationale organisatie voor de bevordering van Mensenrechten. Wat mij gebleken is in mijn contacten met in politiek geïnteresseerde studenten in de categorie halverwege de twintig – en het waren niet de domste – is dat ze erg weinig van geschiedenis weten. Namen als die van Vondeling, Den Uyl, Vredeling, die zeggen hun weinig. Van der Stoel is iets bekender, omdat die lang actief is gebleven. Dit zeg ik niet omdat dit socialisten waren, het geldt ook voor andere Nederlandse politieke fi guren. Als je de geschiedenis wilt begrijpen, heb je niet alleen actualiteit nodig, je moet er analyses over een langere termijn op los kunnen laten. Dan krijgt wat je leest betekenis.”
Maar ook als je analytisch bent, kun je dan lessen uit de geschiedenis trekken? Van den Bergh betwijfelt dat toch. „De lessen van de geschiedenis zijn kort, omdat ons historisch geheugen kort is en geografi sch beperkt. Daarom herhaalt alles zich voortdurend. Kijk naar de Shoa. Ja, we hoeven aan de uniciteit ervan niet te twijfelen, dat is in Joodse kringen een belangrijk uitgangspunt. Maar die uniciteit is gedeeltelijk, gradueel. Rwanda en Cambodja leken in sommige opzichten op de Shoa. We moeten dat ook erkennen.”
Vitaal onderdeel van ons historisch besef is volgens Van den Bergh de informatievoorziening. Die is nu overvloedig, maar in en na de Tweede Wereldoorlog was die situatie anders. „Het duurde tot lang na 1945 voor het besef van de ramp die de Joden overkwam goed begon door te dringen. Het antisemitisme blééf na 1945, de ontvangst van de overlevenden was miserabel. Ik vraag me vaak af of de moord op de Joden anders zou zijn verlopen als we de huidige communicatiemiddelen hadden.” Ook bij de goed-kwaad-discussie van de laatste decennia speelt informatie een rol. „Wat wist je eigenlijk als 18, 19-jarige in de oorlog? Aan welke kant zou je hebben gestaan?” Kortom, lijkt hij te suggereren, bepaalt niet het toeval of je in het verzet belandt of aan het Oostfront? „Waaraan ontleen je je morele standaard. Er waren 20.000 mensen in het verzet tijdens de oorlog, en 20.000 Nederlandse SS’ers aan het Oostfront. Dat plaatst de zaak ook in een perspectief.” Maar hij geeft toe dat het lastig is om samen te vatten wélk perspectief.

Genoegen

Van den Bergh blikt met genoegen terug op zijn politieke jaren (die voorafgingen aan een carrière als zakenman). In de jaren zeventig en tachtig was hij een van de buitenlandspecialisten in de Tweede Kamerfractie van de PvdA. Hij was achtereenvolgens wetenschappelijk medewerker bij het Koos Vorrink Instituut, stafmedewerker, internationaal secretaris (met als specialisaties de Sovjet- Russische Joden, het Midden-Oosten en de mensenrechten) en van 1977-1987 Kamerlid – dus na het roemruchte kabinet Den Uyl. „Ik was socialist, en een echte anticommunist. De houding van links tegenover Oost-Europa en dan met name Oost-Duitsland, keurde ik af. Links geloofde in het sprookje dat Oost- Duitsland ‘antifascistisch’ was en daarmee een zeker bestaansrecht had. Bespottelijk vond ik dat. Alsof je op dit onderdeel neutraal kon blijven.”
Van den Bergh wordt geboeid door het fenomeen neutraliteit; hij probeerde ooit te promoveren op de historie van het Nederlandse leger bezien in het licht van de neutraliteitspolitiek, maar hij had ‘niet genoeg discipline en zitvlees’. Op ethisch gebied is het de vraag of je altijd maar neutraal kunt blijven. „Neem nu Israël en de Armeense massamoord. Is het aan de Knesset om het oordeel ‘genocide’ te vellen? Ik weet het niet zeker, de politiek mag zulke oordelen eigenlijk niet vellen, maar zodra ik dit zeg,” – hij lacht breed en innemend – „denk ik meteen: ik klets. Soms kún je niet neutraal blijven. Tegenover de Shoa is neutraliteit bijvoorbeeld onverdedigbaar. Maar een verbod op ‘foute’ ideeën?”

Inventaris

Van den Bergh werd in 1942 in Amsterdam geboren. „Sommige mensen stellen tijdens een interview hun complete jeugd en emotionele inventaris tentoon. Ik heb dat nooit gedaan. Maar ja, emoties verkopen natuurlijk. Zelfs de Volkskrant doet tegenwoordig aan emotionele tranentrekkerij. Ik heb er geen behoefte aan en het ligt ook erg gevoelig. Waarom doet een mens bepaalde dingen? Dat hangt af van zijn wereldbeeld. Als je, zoals ik bijvoorbeeld, boos bent over de manier waarop Duitse Joden in de jaren dertig werden opgevangen, en Nederlandse Joden na 1945, dan kan dat de inspiratie zijn voor wat ik in het vluchtelingenwerk heb gedaan.”
Twaalf jaar lang was Van den Bergh – een van zijn vele nevenfuncties – voorzitter van VluchtelingenWerk Nederland en op 1 februari neemt hij feestelijk afscheid. „Ja,” zegt hij vrolijk en tegelijkertijd nadenkend, „ik word 1 april zeventig, lieve hemel. Dan is het dus tijd voor een terugblik. Er zijn geen grootse dingen gebeurd, geen Nobelprijs, en ik werd geen premier. Maar ik heb prachtige jaren gehad in de politiek en in de Raad van Europa (hij was vice-voorzitter van de socialistische fractie en een tijd vice-president van de Assemblee). Ik was een kleine jongen,” – hij vergezelde Den Uyl vaak als buitenlandsecretaris als hij de grens over ging – „maar het was mooi werk en ik heb talloze grote spelers van dichtbij gezien: Helmut Schmidt, Willy Brandt, Georges Mitterand, Bruno Kreisky, Golda Meir, Den Uyl zelf. Neem Mitterand, die was imponerend. Hij sprak zonder papier, daar hou ik van – vanuit overtuiging spreken! Tijdens een conferentie over mensenrechten in Genève kwam hij eens de lift in en begon zomaar tegen me te praten – hij herkende me! Ik was 35 en ik geef toe, ik was mateloos vereerd, ik verkeerde wel in de kringen waar het gebeurde.”

1973

„In 1973, kort na de Oktoberoorlog, was ik met Den Uyl bij de bijeenkomst van de Socialistische Internationale in Londen. Ik zat in Downing Street 10 in de hal te wachten toenmijn baas” – de toenmalige premier Den Uyl – „binnen was. Toen iemand van de inlichtingendienst of zoiets belde wie ik was, zei een medewerker van het bureau: „Oh, that’s okay, he is his security chap.” In het Churchill Hotel kwamen de sociaaldemocratische kopstukken bijeen. „Palme, Mitterand, Kreisky, Meir, Mitterand, ze waren er allemaal. Iedereen hield een verhaal, maar toen Golda aan de beurt was zei ze als reactie op de kritische houding jegens Israël: ‘Als de Amerikanen er niet waren geweest, dan was dit een herinneringsbijeenkomst geweest.’” Ze bedoelde dat de Verenigde Staten Israël hadden gered met wapenleveranties, en Europa had geen poot uitgestoken. Ik zal die ene zin van Meir nooit vergeten: de grote mannen stonden in hun hemd; Harold Wilson kon niets anders doen dan de vergadering schorsen. Maar weet je welk land wél iets heeft gedaan?” Nederland. „Precies, in opdracht van minister van Defensie Vredelingwaren militaire voorraden naar Israël verscheept en kregen wapentransporten landingsrechten. Vredeling had Den Uyl daar buiten gehouden. In opdracht van Vredeling, met wie ik bevriend was, had ik contacten gelegd met de ambassadeur van Israël, Chanangoed en kwaad en verantwoordelijkheid, grote woorden misschien” – Van den Bergh kijkt me vragend aan of ik dat ook vind – „maar voor Vredeling leefden ze. Hij was een echte gereformeerde jongen en vond dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog te weinig had gedaan in het verzet en voor de Joden. Hij leed daaronder. En in 1973 kwam het moment om alert te zijn: hij was nu in de positie om het anders te doen dan destijds.”

Politicologie

Van den Bergh studeerde in de jaren zestig politicologie in Amsterdam. Hoe stond hij tegenover ‘de sixties’? „Sceptisch. Het klinkt misschien gek, maar ik was te gematigd voor de extreme fratsen die mensen uithaalden. Ik kon geen communist zijn, maar ik keek met enige jaloezie naar de CPN, want die partij kon met enig recht een grote rol in het verzet claimen. De CPN was in de jaren zestig strijdbaar, activistisch, met mensen als Max van Weezel, Elsbeth Etty, Ton Regtien, Jan Blok, noem ze maar op. Maar vanwege hun visie op Oost-Europa, hun fellow traveller-gedrag, kon ik me niet bij hen aansluiten. Die Paul de Groot” [Joods, lange tijd partijleider van de CPN] „dat was toch eigenlijk je reinste stalinist!”
Van den Bergh kan, uiteraard, uren praten over politiek. We belanden in de 21e eeuw en hij fronst zijn wenkbrauwen: „Er wordt nu vaak met dédain over de politiek gesproken. Dat bevalt me niet. Mensen begrijpen niet meer dan compromissen bij een democratische besluitvorming horen. De rechten van minderheden moeten gerespecteerd worden en besluitvorming kost tijd. Zie je dat niet, dan leidt dat tot apolitiek gedrag. Als je leiders je niet bevallen, moet je ze wegstemmen, desnoods zelf in de politiek gaan. Je moet niet over politici in de zij-vorm spreken, want de politiek, dat zijn we allemaal zélf.” Wat ziet hij als zijn sterke eigenschappen? Dat vindt hij een leuke vraag. „Ik ben op diverse terreinen best goed. Ik kan communiceren, ik beheerste het politieke spel, ik was zakenman, ik kan een vliegtuig besturen, ik heb zelfs een tijd een vliegtuig gehad. Ik heb grote achting voor de wetenschap, die ik ook steun waar ik kan. Maar ik kon niet promoveren en ik ben geen groot politicus geworden. Ik was een generalist, en dat is toch een beetje jammer. Mijn carrière kende geen grote uitschieters. Als ik het over mocht doen werd ik, eh, eerst piloot van een F-16, een jaar of zes, want dat lijkt me geweldig. En daarna had ik een groot politicus of wetenschapper willen zijn. Nu ben ik een redelijk welvarend zakenman geworden en heb ik op veel terreinen een bijdrage geleverd. Maar dat is het dan ook.”
Bar-On, een prachtige man. Tijdens die conferentie in het Churchill werd Den Uyl in de suite van Meir uitgenodigd en ze bedankte hem uitvoerig. Ik denk nog altijd dat Den Uyl niet wist waarom ze zo dankbaar was. Maar had ik gelijk? Twee promovendi hebben me jaren later verteld dat Den Uyl tijdens een kabinetsvergadering een briefje van de inlichtingendienst kreeg over de kwestie Israël. Hij las het snel en stopte het briefje weg in zijn borstzakje, een bekend gebaar van hem” – Van den Bergh doet het voor – „en maakte daarna een wegwuivend gebaar” – weer een Den Uyl-imitatie – „alsof hij wilde zeggen, ‘wegwezen, ik wil dit niet weten’.” Hij verkeerde misschien in tweestrijd: hij kon zijn kabinet niet voorliegen, maar wilde ook loyaal zijn aan Israël. Het is nog steeds onduidelijk of hij het wist.” Met Vredeling heeft Van den Bergh nog vaak over 1973 gesproken. „Het ging overVan den Berghs lijst van nevenactiviteiten is ook imponerend (op de site van het parlement vindt men een uitputtende opsomming), variërend van voorzitter van de raad van toezicht van JMW, medewerker van diverse tijdschriften, voorzitter van Veilig Verkeer Nederland (in welke hoedanigheid hij, bijna onvermijdelijk in die functie, een keer wegens te hard rijden werd aangehouden), voorzitter van de interparlementaire Unie voor Sovjet-Joden (een van Van den Berghs specialisaties), voorzitter van Raad van Commissarissen van de Lotto/Toto en lid van de Board of Governors van de Hebreeuwse Universiteit, en dat is maar een fractie. Je kunt hem ‘rusteloos actief’ noemen, hartelijk, open en sociaal, wars van dikdoenerij, iemand met een spectaculaire charme.

Ziekenhuis

Maar dat hij de 70 nadert is helaas niet onopgemerkt voorbijgegaan. Van den Bergh werd de laatste jaren geteisterd door zware medische tegenslagen, waaronder een hartinfarct en een ernstig heupprobleem met een infectie. „Ik ben best een extravert machotype, maar in die ziekenhuisperiode was daar weinig van over, hoor.” Na de diagnose prostaatkanker werd hij zeven weken bestraald en vanwege de heupoperatie was hij acht weken te gast in het Amstelland Ziekenhuis. „Toen ik mocht kiezen voor het AMC in Amsterdam of het Anthony van Leeuwenhoek [gespecialiseerdkankerziekenhuis] koos ik voor het AMC, dan had ik als het ware toch geen kanker, begrijp je? Ik had na de diagnose wekenlang het idee, dit gaat niet over mij. Pas toen ik het bestralingsschema zwart op wit onder ogen kreeg daalde het besef in. Maar ik ben fantastisch opgevangen door familie en vrienden. Je zal zo’n periode maar alleen door moeten! De reactie van sommige mensen uit, zeg maar, de tweede en derde ring, is me wat tegengevallen, maar ik heb ontzaglijk veel vriendschap ontvangen. Er was ook een vriend, iemand die een bedrijf met 70.000 mensen leidt en het razend druk heeft, die me vrijwel iedere dag belde. Pas als er sprake is van ernstige ziektes weet je wie er Menschen zijn.”

Israël

Onvermijdelijk belanden we bij het thema Israël. „Het gaat daar niet goed. Er is een trend om van de democratie af te knabbelen. Maar ik geloof wel dat als het erop aankomt de seculieren pal zullen staan. Maar nu zijn er teveel incidenten met de baardmannen. De Diaspora zou in opstand moeten komen, want de principes van de democratie staan nu op de agenda. Er bestaat een rechtstreeks verband tussen het rechts-extremisme van de baardmannen en de politiek in de bezette gebieden. Het gaat om dezelfde mensen.”
Het vredesproces, if any, vindt Van den Bergh ‘mateloos frustrerend’. Hij gelooft niet meer in de oprechte vredeswil van de regering- Netanyahu – ‘we worden in de maling genomen’. En op ultra-orthodoxe Israëlische scholen ‘wordt de kinderen onvoldoende respect voor andere groepen bijgebracht’. „Ik heb me ook met die recente discussie over de rituele slacht bemoeid. Nu vraag ik je: hoe kunnen we over religieuze grondrechten spreken als sommige religieuze groeperingen in Israël die rechten van anderen niet respecteren?” Maar in de loop der tijden heeft hij met zowel Palestijnen als Israëli’s gesproken en hij is toch nog ‘optimistisch’ over de manier waarop men over de kwestie spreekt. „Maar ja, ik ben een optimistisch mens.”
Het is inmiddels donker geworden, regen en rukwinden hebben de polder ten oosten van het huis in beslag genomen. Zijn vrouw schenkt ‘een mooie witte Chablis’ voor ons in. „Ik drink de laatste jaren iedere dag een glaasje wijn,” zegt Van den Bergh. „Maar dan moet die natuurlijk wel goed zijn.” En dan moet het trainingspak nog even worden verwisseld voor een wit overhemd, ten behoeve van de foto’s. „Hoe zie ik eruit,” vraagt hij een tikje bezorgd. Maar hij hoeft zich, met zijn karakteristieke kop, volgens zijn vrouw en de journalist geen zorgen te maken.

Harry van den Bergh
Geboren: 1 april 1942, Amsterdam
Gehuwd, twee kinderen, 1 zoon, 1 dochter
Studie politicologie tot 1969
1972-1975: o.a. stafmedewerker PvdA-fractie
1975-1977: internationaal secretaris PvdA
1977-1988: lid Tweede Kamer
Verder vele partijpolitieke functies en nevenfuncties, o.a. vice-voorzitter van de socialistische fractie in Raad van Europa; voorzitter De Nationale Sporttotalisator, voorzitter VluchtelingenWerk (2000-2012); voorzitter toezicht JMW en lid bestuur; voorzitter Veilig Verkeer Nederland 1989-1999.
Hobby’s: verzamelen grafische kunst, wielersport.