Een koektrommel vol narigheid

6917_NIW-Ellen Wallach Tijdens de aanstaande Kristallnachtherdenking in de Snoge interviewt schrijfster Debby Petter Sjoa-overlevende Ellen Eliel-Wallach. „Je leert om door te leven.” 

Een boekenkast als spiegel van de ziel. Speur langs de planken en gij zult vinden. Heel rustig laat Ellen Eliel-Wallach (86), terwijl ze midden in de woonkamer staat, haar ogen langs haar boeken glijden. „Ik sprak een keer mevrouw Brenninkmeijer en zij vertelde mij dat ze alles over de paus heeft. Ik kon maar één ding antwoorden: ik heb alles over de Holocaust,” zegt Wallach met een kleine glimlach.
Voor het interview heeft ze het huis netjes aan kant. Op tafel staat een warme pot thee, kopjes en schoteltjes en een schaal koekjes. Als de deurbel gaat, staat Wallach resoluut op. „Ik ga wel,” zegt ze vastberaden, terwijl ze met hulp van haar wandelstok de kamer uit loopt. Voor de deur staat Debby Petter (58), theatermaakster en schrijfster. In 2009 bracht zij het boek Ik ben er nog uit, over het oorlogsverhaal van haar Joodse moeder Hélène Egger. Samen zullen Wallach en Petter volgend weekend, tijdens de Kristallnachtherdenking, in de Snoge op het podium staan: twee dames, twee generaties, van voor en na de oorlog, maar één ding hebben ze gemeen: ze willen hét verhaal vertellen. Het verhaal dat nooit vergeten mag worden.
„Lang niet iedereen kan zo’n moeilijk en heftig verhaal vertellen. Elke keer moet je weer die herinneringen aan de oorlog beleven. Mijn moeder heeft er zestig jaar over gedaan voordat ze er klaar voor was,” vertelt Petter terwijl ze naast Wallach aan tafel zit. „Ze heeft midden jaren 90 meegedaan met het Spielbergproject en pas toen, in een veilige omgeving, kon ze zich uiten. Bij het bekijken van de beelden begon het pas bij haar te dagen: is mij dit allemaal overkomen?” Wallach knikt naar haar tafelgenote.
„Elke keer is het weer een inspanning om het verhaal te vertellen,” zegt ze tegen Petter. „Maar het moet, we moeten blijven praten. Ik heb pas leren praten na behandeling in Centrum ’45 in de jaren 70. Mijn man was overleden en alles kwam weer terug. Tot die tijd praatte ik altijd bedekt over de oorlog, vooral tegen mijn kinderen. Ik sliep altijd slecht, maar verder merkten mijn kinderen niet zoveel. Mijn moeder is ook levend uit de oorlog gekomen, ze heeft Theresienstadt overleefd. Ik zei dan altijd: met mij viel het wel mee. Ik moet me niet zo aanstellen.” De woorden van Wallach doen Petter denken aan haar eigen moeder. Nooit sprak zij over de oorlog. En over haar broers als helemaal niet. Die waren naar een werkkamp gestuurd om nooit meer terug te komen. „Mijn moeder sprak altijd in algemeenheden. Pas rond mijn achttiende ben ik me echt bewust geworden van mijn achtergrond. In de linnenkast vond ik het kinderdagboek van mijn moeder. Daarin kwamen namen voor van mensen waarvan ik nog nooit gehoord had. Ik heb het geluk gehad dat mijn overgrootvader een trommeltje met jeugdbrieven van mijn moeder heeft bewaard. Toen ik echt vragen begon te stellen over de oorlog en mijn familie, trok mijn vader mij naar zich toe: ‘Ik heb hier een koektrommel, er zit veel narigheid in. Als je het wilt lezen, dan mag het. Ik zou het alleen nooit doen.’ Het advies van mijn vader heb ik in de wind geslagen. Gelukkig maar,” zegt Petter. „Ik kwam veel meer te weten over mijn vermoorde ooms en opa. Op de middelbare school had ik over de oorlog geleerd, maar het kwam nooit aan. Pas toen ik ging zoeken, klopte mijn verhaal. Ik begreep eindelijk waar ik vandaan kwam. En waarom mijn moeder was zoals ze was.”

Lees verder in NIW 5

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*