Een goede buur

Mijn buurman blowt. Een half jaar geleden is hij onder mij komen wonen, aardige vent, daar niet van. En ik ben helemaal van vrijheid blijheid, een goede buur is beter dan et cetera, maar hij rookt dus van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat joints op zijn balkon. Ik woon op tweehoog in een oud pand in de Amsterdamse Rivierenbuurt dat niet alleen gehorig is (de bovenburen houden van Britney Spears) maar blijkbaar ook geurtjes niet per etage vasthoudt. Het zal u niet ontgaan zijn dat het deze zomer nogal warm is, dus ik heb de balkondeur en de ramen veel open. En rook heeft de neiging op te stijgen. Deze combinatie van factoren heeft tot gevolg dat mijn huis al maanden naar marihuana ruikt en ik al die tijd verwikkeld ben in, laat ik zeggen, een geanimeerde discussie over wat je wel en niet mag doen in je eigen huis en de definitie van overlast.

Maar het kan altijd erger, dat moeten ook de buren van Chaïm Soutine hebben geweten. Chaïm Soutine (1893–1943) was een beetje de bad boy-versie van Marc Chagall. Beide schilders werden geboren in wat nu Wit-Rusland heet, ruilden hun sjtetl in voor het bruisende Parijs, waar zij tot het zelfde Joodse avantgarde-clubje behoorden als Amedeo Modigliani en Jacques Lipchitz. Maar waar Chagall van veelbelovend kunstenaar verwerd tot lijzige folkloreschilder (zie mijn column in NIW 22), brak Soutine rigoureus met zijn afkomst, verwrong de werkelijkheid tot een kolkende nachtmerrie en werd daarmee van bepalende invloed op naoorlogse (abstract)expressionisten als Pollock en De Kooning.

Heiligschennis Als je Soutines biografie leest, vraag je je af waarom Hollywood nog geen film over de man heeft gemaakt. Drama en spannende anekdotes wisselen elkaar af. Zo werd hij in Minsk het ziekenhuis in geslagen omdat hij het schilderen niet kon laten. Gij zult immers geen beelden maken, en toen hij de plaatselijke rabbijn had geportretteerd (dubbele heiligschennis!) kreeg hij met diens potige zoon te maken. Ook had hij vaak niet genoeg geld om van te eten, maar hield hij er wel een uitgebreide verzameling dure vilthoeden op na.

Chagall en Soutine deelden een haast religieuze bewondering voor Rembrandt. Soutine reisde zelfs naar Amsterdam om het Joodse bruidje te bewonderen. Terug in Parijs raakte hij gefascineerd door Rembrandts Geslachte os in het Louvre. Om zijn eigen Geslachte os te schilderen hing hij het karkas van, u raadt het al, een geslachte os op in zijn atelier. Aangezien hij het niet bij één schilderij van het dode beest liet, maar een hele serie maakte (waar het Stedelijk er een van in de collectie heeft) begon het kadaver te ontbinden lang voor Soutine klaar was met schilderen. Half Montparnasse moet ernaar gestonken hebben, maar klachten van de buren interesseerden hem niet. Toen het rottende vlees van kleur begon te veranderen, ging Soutine terug naar de slager om twee emmertjes ossenbloed te halen. Die kieperde hij over het karkas, zodat hij zich weer door vers, glinsterend rood kon laten inspireren. “Ze hebben Soutine vermoord, ze hebben Soutine vermoord!”, schijnt Marc Chagall geroepen te hebben toen hij kwam kijken hoe de ossenserie vorderde en het bloed langs de trap zag sijpelen. Dan valt een beetje wietlucht alles mee.

Het liep niet goed af met Chaïm Soutine. Hoewel hij in de jaren dertig een internationale beroemdheid werd, werd hij door de nazi’s opgejaagd, tot hij genoodzaakt was onder te duiken. Zijn vrouw werd opgepakt, maar overleefde de oorlog. Zelf stierf hij in 1943 aan een gescheurde maagzweer. Hoewel het riskant was tijdens de bezetting een Joodse begrafenis te bezoeken, gaven veel van zijn vrienden acte de présence, onder wie Pablo Picasso en Jean Cocteau. Waarschijnlijk niet aanwezig waren zijn voormalige buren uit Montparnasse

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*