Een bijeenkomst in Oost

Snap 2015-11-27 at 08.29.58

Honderd gezichten en tweehonderd ogen kijken mijn kant op. Op uitnodiging van stadsdeel Oost zit ik als panellid aan tafel met onder anderen jongerenimam Yassin Elforkani, bestuursvoorzit- ter van de Al-Karamamoskee Omar Iboualatsen en jongerenwerker Said Bensellam tegenover honderd buurtbewoners om te praten over de aanslagen in Parijs en wat het met ons heeft gedaan.

Door: Max Moszkowicz

Het gesprek wordt geleid door Naima Ajouaau van de beweging ‘Niet mijn islam’. Ik zit hier op uitnodiging van programmacoördinatoren jeugd & veiligheid, strategisch adviseurs radicalisering & polarisatie als Joodse bewoner van de Indische buurt in Amsterdam-Oost, maar ook als bezorgde vader en filmmaker. Ik weet niet of ik er goed aan heb gedaan om hier zo kwetsbaar te gaan zitten. Geen weg meer terug. Het publiek bestaat voor 90 procent uit boos kijkende Marokkaanse vijftigplussers. Velen met baard. De vraag: wat deden de aanslagen in Parijs met je?
Ik vertel dat ik mezelf er sinds de aanslagen op vrijdag de 13e jongstleden op betrap dat ik in mijn buurt mensen inventariseer en label. Het is een dwangmatig gevoel omdat de zware adem van geweld ook hier ons in de nek hijgt. Ik geef toe dat ik op mijn hoede ben als ik jongemannen met lange haren en baarden in djellaba’s zie lopen; vind het niet chic van mezelf, maar dat is wat er met me gebeurt. De boodschap: geef me het gevoel dat jullie alert zijn, deze wandaden bestrijden. Ik wil niet naar dat saaie Zuid verhuizen.

Riffijnse interpretatie
Imam Elforkani, een gesoigneerde, zeer welbespraakte, beschaafde man, houdt een vlammend betoog waarin hij de islamitische gemeenschap in Nederland oproept om de aanslagen af te keuren en waakzaam te zijn, ook naar kinderen en buren. De aanslagplegers zijn wel degelijk moslims! We moeten onze kop niet in het zand steken, betoogt hij vurig. Ik ben diep onder de indruk van zijn lef. Het geeft me hoop en vertrouwen.
Omar Iboulasten, een conservatiever ogende man met baard en djellaba krijgt het woord. Hij trekt nog feller van leer tegen de IS-extremisten dan de imam Elforkani. Hij ziet ze als schadelijk voor de islam. Hij is woest op de mensen die beweren dat het geen moslims kunnen zijn die deze barbaarse daden plegen. Zowel hij en de imam Elforkani benoemen de ‘kop-in-het-zandhouding’ van de islamitische gemeenschap.
Maar bij Omar komt het bozemannenpubliek in opstand. Hij gaat te ver, wordt er geroepen. Je moet je mond houden! Wie zijn IS? Het kunnen geen moslims zijn! Vervolgens willen veel boze mannen de microfoon grijpen om vredelievende Koranteksten te reciteren als bewijs dat de IS-monsters geen moslims kunnen zijn. Een ander argument is het leed dat moslims wereldwijd wordt aangedaan. Palestina komt natuurlijk voorbij, Syrië, Irak, ga maar door.
De boodschap is: ‘Men moet niet zo zeiken, want wij moslims worden aangevallen, dus wat verwacht je?’
Een debat over het leed van Parijs verandert in een dogmatische discussie van strenggelovige stugge ouderen die weigeren te reflecteren.

De boodschap: geef me het gevoel dat jullie alert zijn

Mijn respect voor mijn buurmannen stijgt met de minuut en tegelijkertijd heb ik vreselijk met ze te doen. Ineens heb ik ook met mijn jongere Marokkaanse vrienden te doen, ik begrijp nu tegen wie ze moeten opboksen: onbuigzame, rigide, beperkte mensen die maar één bron van wijsheid hebben: de Koran met de ouderwetse Riffijnse interpretatie. Van de imam nemen ze niets meer aan, die is veel te modern. Ze leven in hun eigen parallelle wereld waarin ze in hun gelijk staan en eeuwig slachtoffer zijn.
Wellicht zou ik, als ik in de schoenen van een jonge Marokkaanse man zou staan, ook volkomen schizofreen worden.

2 Comments

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*