Echt

Foto: Claudia Kamergorodski

Waarom werd Marilyn Monroe Joods? Of Jackie Wilson? Ike Turner? Ivanka Trump? In het geval van Tim Whatley, de tandarts van Jerry Seinfeld (in de serie), was het volkomen duidelijk: Whatley bekeerde zich zodat hij ongegeneerd Jodengrappen zou kunnen vertellen.

Whatley: ‘Do you know the one about the rabbi and the farmers daughter? [vette knipoog] … those aren’t matzah balls!
Jerry: Tim, do you think you should be making jokes like that?
Tim: ‘Why not? I’m Jewish, remember?’
Jerry: ‘I know, but…’
Tim: ‘Jerry, it’s our sense of humour that’s sustained us for three thousand years!
Jerry: ‘Five thousand.’

Mijn ouders waren uitgekomen Joden. Allebei, zo hadden ze elkaar leren kennen. Waarom? Tja. Die vraag wordt mij vaak gesteld en jarenlang voelde ik de verplichting om antwoord te geven. Maar echt weten of begrijpen doe ik het niet. Ik kan het ze ook niet meer vragen, ze zijn er allebei niet meer.

Ze kwamen uit bij de LJG, dat wil zeggen, ze werden lid van de LJG maar voor de gioer zelf gingen ze naar de Londense rabbijn Louis Jacobs, die orthodox was, maar door de Engelse orthodoxie was verketterd (omdat hij had geschreven dat hij het waarschijnlijk achtte dat de Tora niet in een keer, geschreven en al, aan Mosjee gegeven was, maar uit verschillende bronnen kwam). Als gevolg van dit Britse schisma wordt de gioer van mijn ouders niet erkend door de orthodoxie elders. Eigenlijk ben ik dus helemaal geen Jodin, vinden sommigen. Een vreemd idee. Ik groeide op in een koosjer huishouden waar veel, heel veel over het jodendom werd gesproken, woonde een klein decennium in Israël, deed daar vervangende dienstplicht, spreek vloeiend Ivriet en ga (oké, soms een tijdje) wekelijks naar sjoel. En toch ben ik een nep-Jodin. Ik lijd dan ook aan het imposter syndrome: het gevoel dat je elk moment door de mand kunt vallen, dat ze erachter zullen komen dat je een bedrieger bent.

Friesland
Als kind had ik vooral de vreugde van Joods zijn ervaren. Elke vrijdagavond was een feest met eten, zang en een tafel vol mensen. Het praten over het jodendom, het doen, het vragen, het leren, ik genoot ervan. Pas toen ik als jongvolwassene naar Israël ging en samen met vijfhonderd Joden uit honderdvijftig verschillende landen studeerde, begon ik te begrijpen dat er tussen mij en die vijfhonderd een verschil bestaat. Te midden van de Argentijnen, Amerikanen, Chilenen, Schotten, Duitsers, Belgen en Russen drong tot me door dat zij iets hebben dat ik niet heb. Beter gezegd: ik heb iets dat zij niet hebben. Een onbelast verleden. Een intacte familie waar iedereen (nou ja, de meesten) gestorven zijn aan ouderdom. Die allemaal uit één land komen (als je Friesland niet als land telt).

Eerst voelde ik me betrapt, schuldig zelfs. Want ik was een imposter, ik deed maar alsof, en binnenkort zou ik door de mand vallen. Het leverde ook wel eens ongemakkelijke gesprekken op. Als iemand zei: ‘je ziet er ook heel Joods uit’ (haarverf en permanent, jaren 80) bijvoorbeeld. Of, erger: ‘je ziet er anders helemaal niet Joods uit’ (schaamte, ik ben een bedrieger). Of als iemand vroeg: ‘hoe zijn jouw ouders eigenlijk de oorlog doorgekomen?’ (schaamte want bedrieger, vreugde want levend). Daarna was ik vooral boos. Want een gioer wel of niet erkennen is uiteindelijk politiek. Een politiek die bepaalt dat ik er niet overal, niet helemaal, bij hoor. In Israël mag ik niet trouwen, tenzij ik nogmaals een door het (ultaorthodoxe) rabbinaat goedgekeurde gioer onderga, in Nederland mogen mijn kinderen niet naar de Joodse school. Ik weet allang dat ik niet de enige ben die last heeft van dit bedriegers-syndroom. Subtiel gewezen worden op je toch-niet-helemaal-echt-zijn. Botweg geweigerd worden omdat je van het verkeerde clubje bent. Niet helemaal echt zijn als identiteit hebben. Er zijn heel veel mensen die daar last van hebben.

En nu? Nu ben ik het kwijt. Geen schaamte meer, geen woede (nou, soms een beetje), maar dankbaarheid. Voor al het echts dat mijn ouders mij door hun beslissing – die ik nog steeds niet begrijp – hebben gegeven. Echt.

1 Comment

  1. Mijn vader was Sjabbes Goi in Hilversum voor de oorlog, hij en zijn twee broers en 2 zussen zongen bij Jacob Hamel in het kinderkoor. Mijn grootvader trad op met Joodse artiesten en ik belande ooit bij het Sinai instituut. Tot zover de geschiedenis. Ik zelf werk in de Folkingestraat Synagoge als rondleider en werkte vorig jaar een tijd in Neve Michel(orthodox kindertehuis in Israel) Hier en in Israel wordt mij vaak gevraagd :bent u joods ? Nee, zeg ik dan.In Israel dezelfde vraag: Bent u Joods ? Ik gaf hetzelfde antwoordt als in de Synagoge. Maar U liegt kreeg ik te horen, u moet wel een Jood zijn want u bent zo Joods. Als Joden in Israel vinden dat ik een echte Jood moet zijn terwijl ik zelf niet eens weet wat dat is “een echte Jood zijn” wat moet daarop op mijn antwoordt dan zijn, hoe ga ik daar mee om ? Ik antwoord in het hebreeuws altijd: Ik ben niet religiues, ik ben niet niet religieus, ik ben geen christen en geen Jood, ik ben slechts mijzelf. Dat stemde de toehoorder tot nadenken en ik kon tevreden zijn en blijven met wie ik ben.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.