De wortels van een trendsetter

DaganHoe verhoudt creatief ondernemer Dagan Cohen zich tot zijn complexe familieachtergrond? Een gesprek over zijn geboorteland Israël en de verhouding tot een Joodse moeder en zus die op latere leeftijd kozen voor een strikt orthodox Joods leven.

Inmiddels is hij een Bekende Nederlander. Geregeld schuift Dagan Cohen (54) als webexpert aan bij De Wereld Draait Door om te praten over de leukste, grappigste en meest opvallende internetfilmpjes. Zijn Upload Cinema, een tweemaandelijkse bioscoopavond waarbij deze geselecteerde filmpjes op het witte doek worden vertoond, is een regelrechte hit, in binnen- en buitenland. Als alumni van de Rietveld Academie was hij voorbestemd om beeldend kunstenaar te worden. Maar het werd de reclamewereld en creatieve commercie bij Saatchi en Saatchi, en bij Draftfcb, een van de grootste reclamebureaus ter wereld. En hij was een van de oprichters van de Supperclub, een stijlvolle bar annex restaurant in Amsterdam.

Ik heb hem een paar keer op tv gezien. Altijd strak in smoking. Waarom? ‘Het is een gimmick geworden.’ Vandaag, voor het interview, is het de eerste keer dat ik hem in vrijetijdskleding zie. Hij oogt ontspannen als hij de lobby van Hotel V, in de Amsterdamse binnenstad, binnenloopt.

In veel van de interviews die je hebt gegeven, gaat het over je werk. Maar nooit over wie Dagan Cohen nou eigenlijk is. Hoe komt dat? 

„Mensen zijn vaak geïnteresseerd in wat je doet, wat je bereikt hebt. En daarbij, als een journalist er niet naar vraagt, dan vertel ik er ook niks over. Ik heb daar nooit zoveel behoefte aan gehad.”

Maar waar je vandaan komt is toch relevant, ook om te proberen te begrijpen wat de ach- tergrond van je succes is? 

„Ja, daar heb je wel gelijk in. Ik zie mezelf als een soort nomade. Als iemand die constant bezig is met een zoektocht, naar nieuwe ervaringen, experimenten. Er schuilt een rusteloosheid in mij waarvan ik niet weet waar die vandaan komt. Dat gevoel van in beweging zijn, wordt wel een typisch Joodse eigenschap genoemd. Als ik Joodse mensen vraag waar ze vandaan komen is het negen van de tien keer hetzelfde: ik kom daarvandaan, ben nu hier, maar ga daarnaartoe.”

Waar begint het verhaal van Dagan Cohen? 

„In ben geboren in kibboets Shefayim, in de buurt van Tel Aviv. Daar leerden mijn ouders elkaar kennen. De kibboets was opgezet door Russische immigranten, waarvan mijn opa er één was. Hij was betonvlechter, dus hij heeft de kibboets letterlijk gebouwd. Mijn vader kwam in 1948, vanuit Joegoslavië, naar Israël. Tot mijn vierde heb ik in de kibboets gewoond.

Mijn vader was kunstschilder en dat paste niet helemaal in de kibboets. Iedereen wordt geacht een gelijke bijdrage te leveren aan de gemeenschap en het was lastig om uit te leggen dat het kunstenaarschap een substantiële bijdrage was. Omdat hij op het land moest werken, kon hij zich niet meer ontwikkelen als schilder. We hebben het toen nog twee jaar op een andere kibboets geprobeerd, maar uiteindelijk bleek het niet te werken.

Daarna is hij naar Europa gegaan om zijn droom na te jagen. Na een half jaar Parijs, nestelde hij zich uiteindelijk in Amsterdam. Het waren de roerige jaren 60 en er heerste hier een heel vrij en gunstig klimaat voor kunstenaars. Na een half jaar kwamen wij, mijn moeder, zusje en ik over. Ik weet nog goed dat we met een vrachtschip, dat bananen vervoer, naar Marseille zijn gevaren. We hadden weinig geld en dit was de goedkoopste oplossing.”

Dat moet een vreemde gewaarwording zijn voor een jong kind. Van een veilige kibboets, naar een koud Nederland waar niemand Ivriet spreekt? 

„Ja, dat was op zijn zachts gezegd vreemd. Ik sprak geen woord Nederlands en opeens woonde ik in een grote stad, Amsterdam. Gelukkig had ik een juf op de lagere school, de vierde Montessori, die zich erg over mij ontfermde. Zij heeft me enorm geholpen met mijn taalontwikkeling. En dat was hard nodig ook. Ik weet nog goed; we moesten een keer op school een dictee maken. En terwijl iedereen druk aan het schrijven was, zat ik rustig achter mijn tafeltje te wachten. Ik dacht dat we dikke thee kregen.”

Hoe Joods waren jullie thuis, gezien het feit dat je naar een niet-Joodse school ging? 

„We waren absoluut niet religieus, maar we vierden de feestdagen, zoals Pesach, Rosj Hasjana en Chanoeka, wel gewoon. Als je emigreert, dan hou je vaak de tradities van het vaderland in stand. Na verloop van tijd gingen wij ook Sinterklaas vieren, maar een kerstboom kwam er niet in.

Ik heb mij dan ook nooit onderdeel gevoeld van de Joodse gemeenschap, ik was gewoon een Israëlisch jongetje uit de kibboets. Mijn ouders wilden dat ik na mijn lagere school naar het Maimonides ging. Om toch die Joodse band te versterken. Ik heb het twee jaar uitgehouden. Ik voelde me daar totaal niet thuis. Het was een rare tijd. Je bent puber, wordt recalcitrant, en dan heb je allemaal van die strikte Joodse waarden en normen. Daar ga je tegenaan schoppen.

Uiteindelijk ben ik naar de IVKO-school gegaan (Individueel Voortgezet Kunstzinnig Onderwijs). Want, kennelijk valt de appel niet ver van de stam, ik was voortdurend aan het tekenen en wilde later, net als mijn vader, kunstenaar worden.”

Lees het hele interview in NIW 1