De worsteling van Loe de Jong

Loe de Jong tijdens zijn laatste persconferentie in 1988. Foto: Nationaal Archief/ Rob C. Croes
Loe de Jong tijdens zijn laatste persconferentie in 1988. Foto: Nationaal Archief/ Rob C. Croes
Loe de Jong tijdens zijn laatste persconferentie in 1988. Foto: Nationaal Archief/ Rob C. Croes

De honderdste geboortedag van Loe de Jong wordt gevierd met de publicatie van een vuistdikke biografie waarin geen detail van het veelbewogen leven van de oorlogshistoricus onbesproken blijft. Hoe de zoon van een melkboer uit de Jodenhoek kon uitgroeien tot het nationale bewustzijn van goed en fout. Op donderdag 24 april 2014 zou dr. L. de Jong honderd jaar geworden zijn. Historicus Boudewijn Smits koos ervoor op die dag aan de Universiteit van Amsterdam te promoveren op zijn proefschrift Loe de Jong 1914-2005, Historicus met een missie, een ruim 900 bladzijden tellende biografi e van de man die wel bekend stond als ‘het nationale geweten van goed en fout’. Echt nieuw licht op ‘de sfi nx’, zoals een van de bijnamen luidde van de legendarische chef van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, biedt het proefschrift niet. De Jong maaide veel gras voor de voeten van zijn toekomstige biograaf weg met de publicatie van zijn tweedelige Herinneringen, waarin de geschiedschrijver van het twaalfdelige standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog radicale openheid bood over zijn particuliere zieleroerselen.

Survival’s guilt?
De Jong legde zichzelf in zijn memoires zo streng langs de meetlat dat hij zijn biograaf in feite veroordeelde tot het navertellen van de confessies die hij al had voorgeselecteerd. Van die taak kwijt Boudewijn Smits zich ijverig. Hier en daar waagt hij zich aan een eigen interpretatie, bijvoorbeeld als hij stelt dat De Jong – die zijn tweelingbroer Sally, zijn zusje Jeannetje en zijn ouders verloor in nazivernietigingskampen – ‘kampte met survival’s guilt zonder dat hij bij machte was dit voor hemzelf toe te geven’. Maar in grote lijnen volgt Smits in zijn vertelling het beeld dat De Jong in zijn memoires zelf al van zijn leven schetste. Smits kleurt die wel in met allerlei details die tot nog toe geen publieke kennis waren en met enkele omissies die een historisch proefschrift onwaardig zijn, zoals de veronderstelling dat Thomas Mann een auteur van Joodsen huize was.

‘Bescheiden en ijdel’
De meest trefzekere beschrijving van Loe de Jong komt van zijn oud-medewerker Peter Klein. Hij omschreef De Jong als ‘een vat van dikwijls onbegrijpelijke en ongrijpbare verschillen en tegenstellingen – bescheiden en ijdel, overtuigd van zichzelf en onzeker, rusteloos en gedisciplineerd’. Die gespletenheid stond een enorme productie niet in de weg. Alleen al zijn veertien delen tellende serie telt 16.600 bladzijden. De Groningse hoogleraar moderne geschiedenis Ernst Kossman meende dat er nog nooit ‘zoveel bladzijden door één man zijn gewijd aan een zo korte periode in de geschiedenis van een klein land’. En dat is nog maar een derde van De Jongs totale productie, rekent Smits uit. Het leverde hem fi nancieel geen windeieren op. Smits becijfert dat De Jong met een totale omzet van omgerekend meer dan 2 miljoen euro de best verdienende historicus van zijn tijd was. Bovenal was De Jong de grootinquisiteur van het nationale oorlogsverleden, de ‘nationale demonoloog’ in de woorden van collega-historicus Jan Bank. Begiftigd met een autoriteit die zijn weerga niet kende, kon hij mensen maken of breken. Van de reputaties van Friedrich Weinreb en Willem Aantjes was na de interventie van De Jong weinig meer over. Anderzijds was het aan hem te danken dat NAVO-baas Joseph Luns wegkwam met zijn NSB-lidmaatschap en prinses Beatrix in 1966 toch met de man van haar keuze kon trouwen. De Jong wist de verontwaardiging over het oorlogsverleden van Claus von Amsberg als soldaat van de Wehrmacht in goede banen te leiden met een ontlastend rapport dat hij in grote haast had opgesteld. Opgegroeid in een socialistisch milieu dat fel gekant was tegen ‘kapitaal, kroeg en koningshuis’, verwierf De Jong zich de bijnaam ‘Oranje Loe’. Het leverde hem innige vriendschap op van het latere koninklijke paar. Beatrix bezocht hem ieder jaar trouw.

1 Comment

  1. Dat Thomas Mann van Joodse Huize zou zijn is niet zo heel stompzinnig geredeneerd. Getrouwd met Katharina Pringsheim kreeg hij tenslotte 6 Joodse kindertjes. Een huis vol zou men menen.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*