De oorlog na de oorlog

In zijn omstreden proefschrift ‘Dat nooit meer’ analyseert Chris van der Heijden onder meer zichzelf.

Tekst: Bart Wallet

Hoe je het ook wendt of keert, ‘de oorlog’ is in Nederland een belangrijk referentiepunt. Op onze nationale kalender nemen 4 en 5 mei een belangrijke plaats in, terwijl in politieke debatten verwijzingen naar de oorlog vaak onverwacht opduiken. Over die publieke aanwezigheid van de Tweede Wereldoorlog schreef Chris van der Heijden zijn proefschrift ‘Dat nooit meer. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland’. Bij zijn analyse moeten echter forse vraagtekens geplaatst worden. Van der Heijden heeft het afgelopen decennium de nodige bekendheid verworven als historicus. In 2001 brak hij door met de geruchtmakende studie ‘Grijs verleden, Nederland en de Tweede Wereldoorlog’, waarin hij zich keerde tegen een visie op de oorlog in termen van goed en fout. Zo’n moralistische kijk op het verleden zou geen recht doen aan wat er werkelijk van 1940 tot 1945 in ons land was gebeurd. In plaats van in zwarte en witte tinten zou het oorlogsverhaal vooral in grijs geschreven moeten worden.
In 2006 volgde een publicatie over Joodse NSB’ers, als wilde Van der Heijden zijn grijze these nog eens extra onderstrepen. Niet minder ophef baarde de journalistieke historicus twee jaar later met een pamfletachtig boekje met de veelzeggende titel: ‘Israël, een onherstelbare vergissing’. En dan nu ‘Dat nooit meer, de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland’. Waar Van der Heijden in ‘Grijs verleden’ met een alternatieve visie op de oorlog kwam, daar zet hij nu het verhaal voort. Want in 1945 was de oorlog afgelopen, maar Nederland was allerminst klaar met wat er in de vijf voorgaande jaren was gebeurd. Tot op de huidige dag speelt de herinnering aan de oorlog een belangrijke rol in de samenleving. De omgang met het oorlogsverleden is precies de insteek in Dat nooit meer. De auteur laat zich daarbij kennen als in zijn andere werk, het boek is vlot geschreven, polemisch en hier en daar provocerend.

Goed/fout

Het is de taak van een historicus om orde te scheppen in de complexiteit van het verleden, ontwikkelingen te traceren en lijnen aan te brengen die het verleden recht doen en ons tegelijkertijd helpen dat verleden beter te begrijpen. Van der Heijden doet dat door een viertal periodes te onderscheiden in de naoorlogse omgang met het oorlogsverleden. De eerste periode, 1944 tot 1949, tekent hij als een vol onvrede, waarbij het voormalige verzet zich danig roerde maar uiteindelijk de politici, die op herstel van de vooroorlogse verhoudingen uit waren, het pleit wonnen. Opvallend is dat in dit deel vooral over de pers wordt geschreven, maar de opkomende herinneringscultuur vrijwel ontbreekt. Van 1950 tot 1960 zou er geen sprake zijn geweest van een eenduidige visie op de oorlog en spreekt Van der Heijden daarom ook bewust van oorlogsbeelden. Veel ruimte voor het verhaal van slachtoffers was er daarbij niet. Het naoorlogse geploeter was over en een optimistische wederopbouwgeest overheerste. Of dat helemaal klopt?
Van der Heijden begint dit deel met de Dodenherdenking van 1955, die hij tekent als een afsluiting van de naoorlogse misère. Maar hij ziet de belangrijke rede over het hoofd die opperrabbijn Schuster op 4 mei in de Nieuwe Kerk hield, met koningin Juliana en tal van hoogwaardigheidsbekleders onder zijn gehoor. Daarin uitte hij een felle aanklacht over de naoorlogse behandeling van de Nederlandse Joden die hard aankwam. Het hart van ‘Dat nooit meer’ is wellicht het derde deel, waarin wordt betoogd dat van 1961 tot 1980 het door Van der Heijden in Grijs verleden scherp bekritiseerde zwart-witbeeld van de Tweede Wereldoorlog ontstond. Loe de Jong krijgt daarbij de twijfelachtige eer de voornaamste representant te zijn van een groep voornamelijk linkse intellectuelen, die na het wegvallen van de verzuilde structuren in het verzet een nieuwe inspiratiebron vond. Zij ontwikkelden een radicale goed/foutvisie, met weinig begrip voor het geschipper van de bestuurlijke elites in oorlogstijd.

Vergrijzing

Het vierde deel, ten slotte, gaat over een periode (1981-nu) waarin Van der Heijden zelf een van de sterspelers is. De Tweede Wereldoorlog is daarbij, zo betoogt de auteur, het negatief van het heden geworden, waardoor er noodzakelijkerwijze sprake is van overdrijving. Tegenover die ‘overdreven’ visie in de publieke opinie zouden dan historici als Van der Heijden staan die zorgen voor een ‘vergrijzing’ van het beeld. Er was niet één oorlog, maar er waren allerlei ‘oorlogjes’, zo presenteert Van der Heijden zijn eigen visie. Dat iemand zelf zowel object als subject is in een wetenschappelijke studie is nogal vreemd. Het heeft iets van een dichter die promoveert op een analyse van zijn eigen gedichten. Zoiets doe je niet. Ook in dit boek wringt dat uiteindelijk, Van der Heijden doet in het vierde deel zijn best zijn eigen positie met enige afstand te analyseren, maar erg overtuigend is het niet. Hij had er beter aan gedaan om de grens eerder te trekken en zich te beperken tot een grondige studie van de voorgaande periodes. Het boek biedt een bijna overweldigende hoeveelheid verhalen over allerlei oorlogsaffaires, van Aantjes tot Menten en van Schokking tot Fortuyn. En toch blijft na lezing een onbevredigend gevoel hangen. Waar zit dat in?
Het boek heeft iets warrigs, de aaneenrijging van verhalen maakt lang niet altijd duidelijk wat daarmee nu precies bewezen wordt. Bijna tussen neus en lippen door trekt Van der Heijden af en toe wat conclusies. In de epiloog worden de lijnen bij elkaar getrokken, maar het is too little, too late. Die weinig systematische, vooral verhalende aanpak wreekt zich ook in het feit dat Van der Heijden zijn begrippen nauwelijks definieert. Zo wordt van de affaires rond oorlogsmisdadiger Lages, de as uit Auschwitz en Hannie Schaft gezegd dat die eigenlijk geen echte ‘oorlogsaffaires’ waren – maar wat daar dan het criterium voor is, wordt niet duidelijk. Of het moet zijn dat oorlog en politiek in elkaar overlopen, maar als ‘Dat nooit meer’ nu juist iets bewijst, is het wel dat dat altijd het geval is.

Afwezige Joden

Van der Heijden presenteert zich als verhalenverteller, die ‘gewoon’ vertelt en reconstrueert hoe er sinds 1945 met de oorlog is omgegaan. Precies die naïviteit heeft iets bedrieglijks. Want Van der Heijden heeft wel degelijk een visie en die kleurt ook dubbel en dwars zijn analyse. Goed en fout, zo zegt hij, zijn geen absolute categorieën, maar worden bepaald door plaats, tijd en groep. Een ieder die wel vasthoudt aan een helder beeld van goed en fout, zoals Loe de Jong, maar ook talloze andere historici en intellectuelen, is voor Van der Heijden een moralist. Toch komt hij precies op dat punt zelf ook in de knoop als hij schrijft over de Shoa. De morele positie daarvan staat buiten kijf, stelt hij eerst vast, maar hij vervolgt dan dat er nog heel wat ‘ontlading’ mogelijk is bij de onaantastbare positie van de Shoa. Dat wordt verder niet uitgewerkt, maar de suggestie wordt op z’n minst gewekt dat niet alleen de Tweede Wereldoorlog als geheel maar ook de Shoa ‘genormaliseerd’ zou moeten worden.
Van der Heijden raakt hier verstrikt in zijn schijnbaar verhalende stijl en had hier als analyserend historicus duidelijker moeten zijn in wat hij precies bedoelt. Het Joodse perspectief ontbreekt in ‘Dat nooit meer’ vrijwel geheel. Het boek gaat over de media, de Amsterdamse grachtengordel en de Haagse politieke werkelijkheid. Hier en daar duiken Joden op, maar de Joodse gemeenschap is zo goed als afwezig. Zo wordt de Menten-affaire beschreven in termen van links versus de katholieken, maar het Joodse perspectief van degenen die de affaire aanzwengelden, Hans Knoops en Henriëtte Boas, ontbreekt. Ook de Joodse herinneringscultuur, soms in duidelijke oppositie tegen de nationale, is eigenlijk onzichtbaar. Van der Heijden is zelf zozeer onderdeel van de discussie die hij beschrijft, dat Dat nooit meer als wetenschappelijke studie naar de naoorlogse omgang met het oorlogsverleden niet overtuigt. De discussie over het boek laat ondertussen zien hoezeer het debat over de Tweede Wereldoorlog nog steeds de gemoederen in onze samenleving bezighoudt.

Chris van der Heijden, Dat nooit meer. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland, Uitgeverij Contact, 2011.

2 Reacties

  1. Een paar geleden nodigde het “Dokumentations- und Informationszentrum” (DIZ) te Papenburg de schrijver Chris van der Heijden uit voor een lezing. Chris kwam, en sprak over de thema’s uit zijn boek “Grijs Verleden”. Ik ben lid van het DIZ, hoorde hem aan en nam deel aan de discussie met hem.
    De indruk die ik van zijn lezing en de discussie overgehouden heb is dat zijn opvattingen en meningen vooral belangrijk zijn voor hem zelf. Van een historicus had ik een objectievere benadering verwacht. Als publicist verdient hij echter kritiek. Goed dat de redactie van NIW in die zin aandacht aan hem schenkt.
    Anne Bazuin

  2. Uw recensie van een boek van C. van der Heijden is keurig, maar blijft helaas iets oppervlakkig. Chris van der Heijden is al jaren bezig met het bijna pathologisch voeren van een persoonlijke oorlog. Steeds weer tracht hij geleidelijk -met veel rethoriek en oneigenlijke argumenten- de niet geevenaarde wanstaltigheid en schaal van systematische (gelukte) onderdrukking en vernietiging (1933-1945) door o.m. Nazi-Duitsland van joden, homo’s, zigeuners, gehandicapten, zieken, andersdenkenden, intellectuelen, kunstenaars en schrijvers, te nuanceren en te relativeren en met dit idee de geschiedschrijving, en de receptie van de geschiedenis, zoveel mogelijk te beinvloeden.
    Zijn doel is: het afzwakken van de meest gruwelijke feiten.
    ‘Grijs’ betekent bij van der Heijden: in mist hullen.
    ‘Dat nooit meer’: dat gezeur over WOII nooit meer.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.