De ongrijpbare identiteit

Wat bindt Joden precies? Is er iets onzichtbaars dat een gedeeld verleden overstijgt? Journalist Gijs Groenteman, opgegroeid in een seculiere omgeving, gaat op zoek naar antwoorden en vraagt Joden in zijn omgeving hem daarbij te helpen. Belangrijk ijkpunt is een seideravond die hij ooit als tiener bijwoonde

Tekst: Gijs Groenteman

Foto’s: Bert Nienhuis

Ik ben al Joods zolang als ik me kan herinneren. Niet dat wij thuis ook maar één god of gebod eerbiedigden, of dat we welk ritueel dan ook uitvoerden. Maar Joods – dat waren we. Dat wist ik vooral omdat mijn moeder en mijn oma ondergedoken hadden gezeten in de oorlog. Mijn oma had het daar nooit over, mijn moeder heel vaak. Ik denk dat ik een jaar of acht was toen ik mijn oma voor een of ander project op school langdurig ging zitten interviewen over de oorlog. Ze was niet tot diep emotionele uitspraken te bewegen. ‘Die oorlog heeft een stempel op ons allemaal gedrukt’, was ongeveer wat ze erover te zeggen had. Misschien bleef ze aan de oppervlakte om een diep trauma te verbergen, misschien bevonden haar gevoelens zich nou eenmaal aan de oppervlakte – we zullen het nooit weten want we kunnen het haar niet meer vragen. Terwijl mijn oma qua emoties een kabbelend beekje was, was mijn moeder meer een stormende oceaan. Niet dat ze het nou dagelijks over onderduiken had, of dat ze voortdurend larmoyante verhalen zat te vertellen, maar haar geschiedenis hóórde bij haar en die verborg ze niet. Ze ging ook elke week naar een Joodse psychiater om erover te praten – iets wat ik mijn oma niet snel zou zien doen – dus ze was ook druk in de weer met haar gevoelens en geschiedenis. We gingen eens in de zoveel tijd naar haar onderduikmoeder – tante Cor in Rijnsburg – en met haar naar de kerk of koffiedrinken. Dat waren nou dingen die bij onze Joodse geschiedenis hoorden. We hadden geen familie in Israël, we droegen geen davidsterren om onze nek, er stond geen Chanoekakandelaar op de schouw. En wat vonden wij Joods? Ik vind het bijvoorbeeld een typisch Joodse eigenschap om veel te snoepen en geen alcohol te drinken. En om mensen altijd met de auto naar huis te brengen en ze nooit met de tram te laten gaan. Maar misschien zijn dat simpelweg Groenteman-dingetjes, die eigenlijk niks met de Joodse achtergrond te maken hebben. 

Seideravond
Het had wel iets, vond ik, dat Joods-zijn. Zo zijn er een heleboel leuke Joden, zoals Albert Einstein en Woody Allen, waar je op een of andere manier mee in één club zit. Een club waar je je nooit voor opgegeven hebt en je hoeft geen enkele moeite te doen om erin te blijven zitten. Dat is fijn. Zeker als je in je puberteit zit en, enigszins pathetisch, op zoek bent naar iets wat identiteit heet. Wij Joden krijgen die zomaar, door onze geboorte, op een presenteerblaadje aangeboden. Ik kon zelfs zeggen dat ik een soort derdegeneratieslachtoffer, ja misschien wel een twéédegeneratieslachtoffer ben. Dat zijn toch dingen waar je als puber mee aan kunt komen. Mijn Joodse crisis kwam toen ik een jaar of vijftien was. Mijn moeder was door vrienden uitgenodigd bij een seideravond. Zij vond dat leuk, ik ging mee. Er was een keuken vol rumoerige mensen (en een lege stoel voor de ongenode gast) en ik moest een keppeltje op. Een keppeltje! Ik heb me zelden zo opgelaten gevoeld. Ik vond het dan wel leuk om een bee tje Joodse identiteit te hebben, maar ik was ook puber, en me voortdurend bewust van mezelf en alles wat ik deed. En nu zat ik ineens met een keppeltje op – dat vond ik pure aanstellerij en dus genant. Volgens mij geloofde niemand in de rumoerige keuken in God, dus waarom werden er ineens allerlei malle rituelen voltrokken? Rituelen waar ik niets van begreep? Waarom werd er een brabbeltaaltje gesproken? Waarom had mierikswortel zo’n prominente rol? Aan de jongerenhoek van de tafel, waar ik aan zat, werd veel over de Maccabi Spelen gepraat, want die waren in aantocht. Ik had nog nooit van de Maccabi Spelen gehoord en ik wilde er niet over praten. Ik werd een graatmagere, walmende staak met een keppel op. Ik vermoed dat ik uitstraalde dat ik niet aangesproken wenste te worden, want dat gebeurde de rest van de avond niet. Ik vond Joods-zijn aanstellerij, much ado about nothing

Ischa
Rond mijn dertigste schreef ik een boek over Ischa Meijer. Dat was nou een leuke Jood, Ischa, met een goeie Joodse geschiedenis. Er waren lekker veel Joden die ik over hem kon interviewen. En wat grappig was: ze namen mij makkelijk in vertrouwen omdat ik óók Joods was. Misschien is het prettiger om over een concentratiekamp te praten als je dat doet met iemand wiens familie zo’n beetje hetzelfde heeft meegemaakt. Of misschien was er daadwerkelijk iets wat ons bond, iets onzichtbaars dat een gedeeld verleden oversteeg, wat Joods was, waardoor wij het goed met elkaar konden vinden. Ik laafde mij aan de Joodse hartelijkheid, het gepraat over eten, over feestdagen waarvan ik de betekenis niet kende, aan prachtige termen als ‘Kaddisj zeggen’, ja, ook aan Ischa’s haat-liefdeverhouding met het jodendom die ik wel begreep. Het was mijn Joodse revival.

Lees verder in NIW 25